Akkerbouw
Algemeen
Dieren
Economie
Markten
Mechanisatie
Milieu
Politiek
Tuinbouw
Veehouderij
Voeding
Inloggen
 
 
 
Klik hier om u te registreren en te abonneren
(72,60 euro per jaar)
 
Wachtwoord vergeten
Volgend artikelVolgend Artikel

 11 jul 2019 09:51 

Voorwaarden van de erkenning als landbouwonderneming


Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden van de erkenning als landbouwonderneming en als sociale onderneming

Gelet op het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, de artikelen 8:2 en 8:5;
Gelet op de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor Coöperatie, het Sociaal Ondernemerschap en de Landbouwonderneming, artikel 5;
Gelet op het advies nr. 65.806/2 van de Raad van State, gegeven op 25 april 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Overwegende dat de voorwaarden voor de erkenning als landbouwonderneming in overeenstemming zijn met de voorwaarden inherent aan de landbouwvennootschap bedoeld in artikelen 41 en 42 van de wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen;
Op de voordracht van de Minister van Economie en de Minister van Justitie,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
HOOFDSTUK 1. - Definities
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° landbouwactiviteit: de landbouw- en/of tuinbouwactiviteit, vermeld in de bijlage 1, gevoegd bij dit besluit;
2° beherende vennoot: de vennoot, natuurlijke persoon, die statutair voor onbepaalde duur als zaakvoerder of bestuurder van de vennootschap aangeduid wordt en die minstens belast is met het dagelijks bestuur van de vennootschap;
3° dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur, als bepaald in de artikelen 5:79 en 6:67 van het wetboek;
4° beroepsinkomen uit de actieve uitbating: het beroepsinkomen dat wordt behaald uit de uitbating van de landbouwactiviteit, met uitsluiting van de vervangingsinkomens en de pensioenen;
5° wetboek: het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
6° FOD Economie: de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
HOOFDSTUK 2. - Landbouwondernemingen
Afdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden
Art. 2. § 1. Een erkenning als landbouwonderneming wordt toegekend door de minister van Economie aan een van de vennootschappen bedoeld in artikel 8:2 van het wetboek, wanneer de statuten, de werking en de activiteiten van de betrokken vennootschap in overeenstemming zijn met de volgende voorwaarden:
1° de vennootschap heeft hoofdzakelijk de uitbating van een landbouwactiviteit tot doel;
2° enkel natuurlijke personen kunnen vennoot zijn;
3° de vennootschap bestaat uit minstens twee vennoten, waarvan minstens één vennoot een beherende vennoot is;
4° de aandelen van de vennootschap staan op naam en zijn van gelijke waarde;
5° de beherende vennoot besteedt minstens de helft van zijn arbeidstijd aan de uitbating van de landbouwactiviteit en haalt minstens de helft van zijn beroepsinkomen uit de actieve uitbating van de landbouwactiviteit;
6° de algemene vergadering van de vennootschap beslist, met naleving van de aanwezigheids- en meerderheidsvereisten voorgeschreven voor een statutenwijziging, over de volgende punten:
a) de beëindiging van het mandaat van beherende vennoot en de daaruit volgende opzeggingstermijn;
b) de aanstelling van een beherende vennoot en de toekenning van de bevoegdheden van deze beherende vennoot;
c) de afzetting van de beherende vennoot bij zwaarwichtige redenen;
7° de instemming van de algemene vergadering van de vennootschap is vereist bij de overdracht van aandelen van één of meerdere vennoten bij overlijden of onder levenden;
8° bij elke overdracht van aandelen onder levenden heeft elke beherende vennoot een recht van voorkoop;
9° de instemming van elke beherende vennoot is vereist bij elke statutenwijziging van de vennootschap, alsook bij de vrijwillige ontbinding van de vennootschap, met uitzondering van de bepaling onder 6°, c);
10° de minimale beloning uit de vennootschap komt rechtstreeks toe aan de beherende vennoot of beherende vennoten.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, 7°, is de instemming van de algemene vergadering van de vennootschap niet vereist bij de overdracht van aandelen van één of meerdere vennoten bij overlijden of onder levenden aan een andere vennoot, de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van de overdrager, de bloedverwanten in rechte opgaande lijn, de bloedverwanten in de rechte nederdalende lijn en hun aanverwanten, met inbegrip van de adoptieve kinderen en de kinderen van de echtgenoot of van de wettelijk samenwonende.
De statuten van de vennootschap vermelden de bepalingen bedoeld in het eerste lid.
§ 3. Wanneer de vennootschap nog andere uitkeringen dan de beloning als bedoeld in paragraaf 1, 10°, voorziet, dan vermelden de statuten van de vennootschap uitdrukkelijk de voorwaarden en de begunstigden van deze uitkeringen.
Afdeling 2. - De aanvraag tot erkenning als landbouwonderneming
Art. 3. De vennootschap bedoeld in artikel 8:2 van het wetboek dient bij de FOD Economie een aanvraag van erkenning in, volgens het model als bijlage 2 gevoegd bij dit besluit.
De aanvraag tot erkenning wordt ingediend met de post of met de elektronische post.
Bij de aanvraag tot erkenning worden gevoegd:
1° een bewijs van oprichting in het land waar de vennootschap is opgericht;
2° een exemplaar van de gecoördineerde statuten van de vennootschap;
3° in voorkomend geval, een exemplaar van het intern reglement van de vennootschap;
4° de notulen van de laatste algemene vergadering van de vennootschap.
Wanneer hij dat nodig acht, kan de FOD Economie bij de aanvrager om bijkomende inlichtingen met betrekking tot de aanvraag tot erkenning vragen, met inbegrip van de bewijsstukken die de situatie als bedoeld in het artikel 2, § 1, 5°, kunnen staven.
De erkenning als landbouwonderneming wordt door de minister van Economie geweigerd wanneer de statuten, de werking of de activiteiten van de betrokken vennootschap niet in overeenstemming zijn met de erkenningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 2.
Afdeling 3. - De controle van de erkenningen als landbouwonderneming
Art. 4. De ambtenaren van de FOD Economie gaan op regelmatige basis na of de vennootschappen, erkend als landbouwonderneming, aan de voorwaarden van de erkenning die hun is toegekend, blijven voldoen.
In het kader van de controle van de erkenningsvoorwaarden kan de FOD Economie bij de vennootschap erkend als landbouwonderneming bijkomende inlichtingen vragen of aan haar bijkomende stukken opvragen.
Afdeling 4. - De intrekking van de erkenning als landbouwonderneming
Art. 5. De erkenning als landbouwonderneming wordt door de minister van Economie ingetrokken wanneer:
1° de vennootschap hierom verzoekt;
2° de statuten, de werking of de activiteiten van de vennootschap erkend als landbouwonderneming, niet meer in overeenstemming zijn met de erkenningsvoorwaarden bepaald in artikel 2;
3° de vennootschap ontbonden is of een andere rechtsvorm heeft aangenomen dan deze vormen bepaald in artikel 8:2 van het wetboek;
4° de vennootschap niet, binnen de termijn bepaald door de FOD Economie, de bijkomende inlichtingen of stukken nodig voor de controle van de erkenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 4, overmaakt.
HOOFDSTUK 3. - Sociale ondernemingen
Afdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden
Art. 6. § 1. Een erkenning als sociale onderneming wordt toegekend door de minister van Economie aan een coöperatieve vennootschap wanneer haar statuten, haar werking en haar activiteiten in overeenstemming zijn met de volgende voorwaarden:
1° de vennootschap heeft hoofdzakelijk tot doel, in het algemeen belang, een positieve maatschappelijke impact te bewerkstelligen op de mens, het milieu of de samenleving, overeenkomstig artikel 8:5, § 1, 1°, van het wetboek;
2° de statuten omschrijven het voorwerp van de vennootschap waarbij uitdrukkelijk tot uiting komt dat dit voorwerp dienstig is om een positieve maatschappelijke impact op de mens, het milieu of de samenleving te bewerkstelligen;
3° bij uittreding ontvangt de uittredende aandeelhouder maximum de nominale waarde van zijn werkelijke inbreng;
4° het mandaat van bestuurder is onbezoldigd, tenzij de algemene vergadering van aandeelhouders beslist over een beperkte onkostenvergoeding of presentiegeld;
5° geen enkele aandeelhouder mag aan een stemming in de algemene vergadering deelnemen met meer dan een tiende van het aantal stemmen verbonden aan de vertegenwoordigde aandelen;
6° het bedrag van het dividend uit te keren aan de aandeelhouders kan slechts worden bepaald na bepaling van een bedrag dat de vennootschap voorbehoudt aan projecten of bestemmingen die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van haar voorwerp;
7° het enig vermogensvoordeel dat de vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks aan haar aandeelhouders uitkeert, onder welke vorm dan ook, mag niet hoger zijn dan de rentevoet vastgesteld in artikel 8:5, § 1, 2°, van het wetboek, en toegepast op het door de aandeelhouders werkelijk gestorte bedrag op de aandelen;
8° bij vereffening van de vennootschap is het vermogen dat overblijft na aanzuivering van het passief en terugbetaling van het door de aandeelhouders werkelijke gestorte en nog niet terugbetaalde bedrag op de aandelen, bestemd voor een bestemming dat zo nauw mogelijk aansluit bij haar voorwerp overeenkomstig artikel 8:5, § 1, 3°, van het wetboek.
§ 2. Het bestuursorgaan van de vennootschap stelt jaarlijks een bijzonder verslag over het afgesloten boekjaar op waarin het ten minste melding maakt van:
1° de informatie vermeld in artikel 6:120, § 2, van het wetboek;
2° de wijze waarop het bestuursorgaan van de vennootschap toezicht houdt op de toepassing van de erkenningsvoorwaarden, bepaald in paragraaf 1;
3° de activiteiten die de vennootschap heeft verricht ter verwezenlijking van haar voorwerp;
4° de middelen die de vennootschap hiervoor heeft ingezet.
Het bijzonder verslag wordt ingevoegd in het jaarverslag dat overeenkomstig artikelen 3:5 en 3:6 van het wetboek wordt opgesteld en neergelegd.
Het bestuursorgaan van een vennootschap dat overeenkomstig artikel 3:4 van het wetboek niet gehouden is een jaarverslag op te stellen en neer te leggen, stuurt een kopie van het bijzonder verslag naar de FOD Economie binnen de zeven maanden na de datum van afsluiting van het boekjaar.
Het bijzonder verslag wordt op de zetel van de vennootschap bewaard.
Afdeling 2. - De aanvraag tot erkenning als sociale onderneming
Art. 7. De vennootschap dient een aanvraag van erkenning als sociale onderneming in bij de FOD Economie, volgens het model als bijlage 3 gevoegd bij dit besluit.
De aanvraag tot erkenning als sociale onderneming wordt met de post of met de elektronische post ingediend.
Bij de aanvraag tot erkenning als sociale onderneming worden gevoegd:
1° een bewijs van oprichting in het land waar de vennootschap is opgericht;
2° een exemplaar van de gecoördineerde statuten van de vennootschap;
3° in voorkomend geval, een exemplaar van het intern reglement van de vennootschap;
4° de notulen van de laatste algemene vergadering van de vennootschap.
Wanneer hij dat nodig acht, kan de FOD Economie bij de aanvrager om bijkomende inlichtingen met betrekking tot de aanvraag tot erkenning vragen.
De erkenning als sociale onderneming wordt door de minister van Economie geweigerd wanneer de statuten, de werking of de activiteiten van de betrokken vennootschap niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 6.
Afdeling 3. - De controle van de vennootschappen erkend als sociale ondernemingen
Art. 8. De ambtenaren van de FOD Economie gaan op regelmatige basis na of de coöperatieve vennootschappen erkend als sociale ondernemingen, aan de voorwaarden van de erkenning die hun is toegekend, blijven voldoen.
In het kader van de controle van de erkenningsvoorwaarden kan de FOD Economie bij de coöperatieve vennootschap erkend als sociale onderneming bijkomende inlichtingen of stukken opvragen.
Afdeling 4. - De intrekking van de erkenning als sociale onderneming
Art. 9. De erkenning als sociale onderneming wordt door de minister van Economie ingetrokken wanneer:
1° de vennootschap hierom verzoekt;
2° de statuten, de werking of de activiteiten van de coöperatieve vennootschap erkend als sociale onderneming, niet meer in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 6;
3° de vennootschap ontbonden is of niet langer de rechtsvorm van coöperatieve vennootschap heeft;
4° de vennootschap niet, binnen de termijn bepaald door de FOD Economie, de bijkomende inlichtingen of stukken nodig voor de controle van de erkenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 8, overmaakt.
HOOFDSTUK 4. - De erkende coöperatieve vennootschap die erkend is als sociale onderneming
Afdeling 1. - De aanvraag tot erkenning
Art. 10. De aanvraag tot erkenning bedoeld in deze afdeling betreft de volgende vennootschappen:
1° een coöperatieve vennootschap die tegelijk de erkenning als erkende coöperatieve vennootschap bedoeld in artikel 8:4 van het wetboek en de erkenning als sociale onderneming bedoeld in artikel 8:5 van het wetboek aanvraagt;
2° een erkende coöperatieve vennootschap bedoeld in artikel 8:4 van het wetboek die de erkenning als sociale onderneming aanvraagt;
3° een coöperatieve vennootschap erkend als sociale onderneming bedoeld in artikel 8:5 van het wetboek en die de erkenning als erkende coöperatieve vennootschap aanvraagt.
Art. 11. De coöperatieve vennootschap bedoeld in artikel 10 dient een aanvraag tot erkenning in bij de FOD Economie:
1° volgens het model dat als bijlage 4 is gevoegd bij dit besluit, wanneer het gaat om een coöperatieve vennootschap, die op hetzelfde ogenblik beide erkenningen aanvraagt;
2° volgens het model dat als bijlage 3 is gevoegd bij dit besluit, wanneer het gaat om een erkende coöperatieve vennootschap bedoeld in artikel 8:4 die een erkenning als sociale onderneming aanvraagt;
3° volgens het model vastgesteld door de Koning, tot uitvoering van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, het Sociaal Ondernemerschap en de Landbouwonderneming, wanneer het gaat om een coöperatieve vennootschap, erkend als sociale onderneming, die een erkenning als erkende coöperatieve vennootschap aanvraagt.
De aanvraag tot erkenning wordt ingediend met de post of met de elektronische post.
Bij de aanvraag tot erkenning worden gevoegd:
1° een bewijs van oprichting in het land waar de vennootschap is opgericht;
2° een exemplaar van de gecoördineerde statuten van de vennootschap;
3° in voorkomend geval, een exemplaar van het intern reglement van de vennootschap.
Wanneer hij dat nodig acht, kan de FOD Economie bij de aanvrager om bijkomende inlichtingen met betrekking tot de aanvraag tot erkenning vragen.
Art. 12. De erkenning wordt door de minister van Economie geweigerd wanneer de statuten, de werking of de activiteiten van de betrokken vennootschap niet in overeenstemming zijn met de erkenningsvoorwaarden die op haar van toepassing zijn.
Afdeling 2. - De gevolgen van de intrekking van een erkenning op het behoud van de andere erkenning
Art. 13. De erkende coöperatieve vennootschap bedoeld in artikelen 8:4 en 8:5 van het wetboek behoudt na intrekking van haar erkenning als sociale onderneming, haar erkenning als erkende coöperatieve vennootschap bedoeld in artikel 8:4 van het wetboek wanneer zij blijft voldoen aan de voorwaarden bepaald door de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de Coöperatie, het Sociaal Ondernemerschap en de Landbouwonderneming en haar uitvoeringsbesluiten.
De erkende coöperatieve vennootschap bedoeld in artikelen 8:4 en 8:5 van het wetboek behoudt na intrekking van haar erkenning als erkende coöperatieve vennootschap bedoeld in artikel 8: 4 van het wetboek haar erkenning als sociale onderneming wanneer zij blijft voldoen aan de erkenningsvoorwaarden bepaald in artikel 6.
HOOFDSTUK 5. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 14. Elke erkenning en elke intrekking van een erkenning maken het voorwerp uit van een ministerieel besluit, dat in het Belgisch Staatsblad en op de website van de FOD Economie wordt bekendgemaakt.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
Art. 15. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van hoofdstuk 2, dat in werking treedt op 15 juli 2019.
Art. 16. De minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Justitie, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 28 juni 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
K. PEETERS
De Minister van Justitie,
K. GEENS



  Nieuwsflash
 
Nieuwe hittegolf op komst: ramp voor de landbouwLees meer
 
 
ILVO versterkt contacten met PERULees meer
 
 
Kweek geen mannelijke hopplant Lees meer
 
 
Nieuwe grassoort kan beter tegen droogte Lees meer
 
 
PCA notering vroegeLees meer
 
 
Veerkrachtige landbouwbedrijfsmodellen voor duurzaam landbouw- en voedselsysteem Lees meer
 
 
Strengere regels voor mestvervoer in gebiedstype 2 en 3 vanaf 1 augustus Lees meer
 
 
Gids Autocontrole: Aardappelen, groenten, fruit, verwerkende industrie en handel (G-014)Lees meer
 
 
Plattelandsontwikkelingsprogramma rondt de kaap van 200 miljoen euro Lees meer
 
 
Opgave plantenpaspoortplichtige soorten voor niet-producenten Lees meer
 
 
Alle NEPG-landen vrezen droogte Lees meer
 
 
85ste Foire de Libramont: 26-31 juli 2019Lees meer