Akkerbouw
Algemeen
Dieren
Economie
Markten
Mechanisatie
Milieu
Politiek
Tuinbouw
Veehouderij
Voeding
Inloggen
 
 
 
Klik hier om u te registreren en te abonneren
(72,60 euro per jaar)
 
Wachtwoord vergeten
Vorig ArtikelVorig artikel Volgend artikelVolgend Artikel

 10 jun 2022 17:22 

Identificatie en de registratie van bepaalde hoefdieren, pluimvee, konijne, volgels


Gelet op de verordening (EG) 178//2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, artikel 3, punt 15 en artikel 18;
Gelet op de verordening (EG) 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong, artikel 4, § 1;
Gelet op de verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving"), inzonderheid deel IV en artikel 269 en zijn gedelegeerde handelingen en zijn uitvoeringshandelingen;

Gelet op de verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles), artikel 138;
Gelet op de Grondwet, artikel 108;
Gelet op de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, artikel 7, § 3, artikel 8, eerste lid, 1°, artikel 9, 2° en 3°, artikel 15, 3°, artikel 17, eerste lid, en derde lid, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2006, artikel 18 en artikel 18bis, eerste lid, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990 en gewijzigd bij de wet van 1 maart 2007;
Gelet op de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, artikel 4, §§ 1 tot 3, § 5, lid 1, § 6, en artikel 5, tweede lid, vervangen bij de wet van 22 december 2003, 13° ;
Gelet op het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, bekrachtigd bij de wet van 19 juli 2001, artikel 3bis, eerste lid, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2003 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 2003 en 23 december 2005;
Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 2001 houdende het toevertrouwen van bijkomende opdrachten aan het federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, artikel 2, d);
Gelet op het overleg met de Gewestregeringen van 4 oktober 2021;
Gelet op het advies 21-2021 van het Wetenschappelijk Comité van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, gegeven op 17 december 2021;
Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 13 september 2021;
Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris van Begroting, gegeven op 9 december 2021;
Gelet op het advies n° 46/2022 van de Gegevensbeschermingsautoriteit, gegeven op 9 maart 2022;
Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikels 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
Gelet op advies 70.897/3 van de Raad van State, gegeven op 28 maart 2022 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Landbouw en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
Artikel 1. § 1. Dit besluit regelt de bijkomende voorwaarden, voorschriften en verplichtingen voor het houden, het identificeren en het registreren van bepaalde landdieren, in uitvoering van en als aanvulling op de regels, vastgelegd in verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving"), in zijn gedelegeerde verordeningen en in zijn uitvoeringsverordeningen.
§ 2. Dit besluit is niet van toepassing op het houden, het identificeren en het registreren van paardachtigen.
§ 3. De bepalingen van dit besluit die van toepassing zijn op pluimvee van de categorie eendagskuikens, zijn ook van toepassing op de categorie uitkipeieren.
§ 4. De bepalingen van dit besluit die van toepassing zijn op konijnen, zijn ook van toepassing op andere lagomorphen die in gevangenschap worden gehouden met het oog op de productie van vlees of andere producten of om in het wild te worden uitgezet en het kweken van deze dieren daartoe.
§ 5. De bepalingen in dit besluit die verwijzen naar gereglementeerde dierenziekten hebben betrekking op dierenziekten door de Koning aangewezen in uitvoering van artikel 6 van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
Art. 2. § 1. Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities uit:
1. artikel 4 van verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving");
2. artikel 2 van gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren;
3. artikel 3 van gedelegeerde verordening (EU) 2020/688 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van landdieren en broedeieren.
§ 2. In aanvulling op paragraaf 1, wordt verder verstaan onder:
1° SANITEL: het geautomatiseerde gegevensbestand van het Agentschap zoals bedoeld in artikel 109 van verordening (EU) 2016/429;
2° vereniging: vereniging erkend bij het ministerieel besluit van 26 november 2006 tot erkenning van de verenigingen voor de bestrijding van dierenziekten;
De verenigingen zijn een instantie zoals bedoeld in artikel 108.5.c) van verordening (EU) 2016/429;
3° categorie: categorie van dieren zoals per diersoort gedefinieerd en geregeld in bijlage I;
4° type dieren: type zoals per diersoort gedefinieerd in bijlage I;
5° type inrichtingen: type zoals per inrichting gedefinieerd in bijlage I;
6° konijnen: konijnen die in gevangenschap worden gehouden met het oog op de productie van vlees of andere producten of om in het wild te worden uitgezet en het kweken van deze dieren daartoe;
7° koppel pluimvee: alle pluimvee van eenzelfde diersoort, eenzelfde type, met dezelfde leeftijd, met dezelfde gezondheidsstatus die in dezelfde productie-eenheid wordt gehouden waardoor zij een enkele epidemiologische eenheid vormen;
8° lot dieren: alle of een aantal dieren uit een beslag;
9° productieronde: al het pluimvee op een pluimveebedrijf met geringe capaciteit en dit tussen 2 perioden van sanitaire leegstand;
10° productie-eenheid: het geheel van een of meerdere stallen en de desgevallend daarbij horende uitloopruimte op een inrichting waarin een beslag is gehuisvest;
11° type productie-eenheid: type zoals gedefinieerd in bijlage I;
12° beslag: groep dieren van eenzelfde diersoort, of koppel pluimvee die op een inrichting in dezelfde productie-eenheid wordt gehouden waardoor zij een enkele epidemiologische eenheid vormen met dezelfde gezondheidsstatus.
In stallen omvat de term beslag minstens alle dieren die hetzelfde omsloten luchtvolume delen.
Mestkelders en transportbanden voor mest en voor eieren mogen doorlopend zijn tussen productie-eenheden indien zij voldoende afgeschermd zijn en indien de dieren er niet rechtstreeks mee in contact kunnen komen. In voorkomend geval oordeelt het Agentschap of de afscheiding voldoende is.
In voorkomend geval oordeelt het Agentschap over het epidemiologisch verband tussen de eenheden;
13° beslagnummer: uniek nummer voor een beslag op basis van het uniek registratienummer, toegekend aan elke in SANITEL geregistreerde inrichting;
14° beslagcode: verkort beslagnummer, bestaande uit 4 alfanumerieke karakters, gekoppeld aan het beslagnummer en minstens uniek per inrichting.
Ten behoeve van andere regelgeving kan het aantal karakters van de beslagcode gewijzigd worden;
15° capaciteit: getal dat is geregistreerd in SANITEL en dat het maximaal aantal dieren per beslag en desgevallend per categorie weergeeft dat een exploitant houdt op zijn inrichting;
16° handelaar: exploitant die handel drijft in dieren en die desgevallend een handelaarsstal uitbaat;
17° handelaarsstal: productie-eenheid met een specifiek beslagnummer waar een handelaar dieren huisvest die hij verhandelt;
18° leverancier: fabrikant of verdeler die erkende identificatiemiddelen verkoopt;
19° erkend identificatiemiddel: identificatiemiddel uit de lijst in bijlage III van gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 en erkend door de Minister;
20° oormerk: koppel plaatjes of clip in kunststof of metaal, bestaande uit een mannelijk plaatje met een pin die het oor doorboort en een vrouwelijk plaatje dat de pin omsluit;
21° identiteit van een rund: geheel van de gegevens bedoeld in bijlage IV, punt 4, B, 3, a) tot en met e);
22° bedrijfsdierenarts: dierenarts (of zijn plaatsvervanger) bedoeld bij het koninklijk besluit van 20 mei 2022 tot instelling van het epidemiologisch toezicht op inrichtingen waar bepaalde dieren gehouden worden;
23° reiniging: zorgvuldig verwijderen van alle vuil, stof, overblijfselen van strooisel, uitwerpselen, voeder en andere materie;
24° ontsmetting: het toepassen, na de reiniging, van een ontsmettingsmiddel of een evenwaardig alternatief, overeenkomstig de gebruiksaanwijzing daarvan;
25° ontsmettingsmiddel: ontsmettingsmiddel dat als geneesmiddel over een vergunning voor het in de handel brengen beschikt of dat als biocide over een toelating of een notificatie beschikt;
26° particuliere slachting: slachting zoals bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 maart 1953 betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren;
27° koninklijk besluit van 16 januari 2006: koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
28° verordening (EU) 2016/429: verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid, ("diergezondheidswetgeving");
29° gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035: gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren;
30° het Agentschap: het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
31° minister: minister bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen.
HOOFDSTUK II. - Delegatie van taken aan de verenigingen
Art. 3. § 1. De verenigingen hebben de volgende taken:
1° de begeleiding en de omkadering van de exploitanten in het uitvoeren van de bepalingen van dit besluit;
2° het beheer van SANITEL en daartoe de ontwikkeling, het ter beschikking stellen en onderhouden van interfaces, naar eigen keuze;
3° de ontwikkeling, het ter beschikking stellen en onderhouden van interfaces met SANITEL op vraag van een gebruiker en in dat geval op diens kosten;
4° het verzamelen, beheren en desgevallend corrigeren van de gegevens met betrekking tot het identificeren en het registreren van de dieren, de beslagen, de exploitanten en de inrichtingen in SANITEL;
5° het verzamelen en beheren van de gegevens met betrekking tot de verplaatsingen van de dieren met het oog op hun traceerbaarheid en het desgevallend corrigeren van deze gegevens. De kosten voor het corrigeren worden aangerekend aan de exploitant overeenkomstig de bepalingen in dit besluit;
6° de beoordeling van aanvragen voor erkenning van identificatiemiddelen;
7° de opvolging van de kwaliteit van de erkende identificatiemiddelen;
8° het beheer van de bestellingen en de leveringen van de erkende identificatiemiddelen aan de exploitanten;
9° de productie en het beheer van de identificatiedocumenten voor runderen zoals voorzien in artikel 110, lid 1, b), van verordening (EU) 2016/429;
10° de productie en het beheer van de verplaatsingsdocumenten voor runderen zoals voorzien in de artikelen 75 en 76;
11° de productie en het beheer van de verplaatsingsdocumenten zoals voorzien in artikel 110, lid 1, c), van verordening (EU) 2016/429 en in artikel 24;
12° de productie en het beheer van de andere documenten en etiketten voorzien bij dit besluit;
13° het uitvoeren van de taken onder punten 1° tot en met 8°, punt 11° en punt 12°, met betrekking op de broederijen.
§ 2. Voor de uitvoering van de in paragraaf 1 vermelde taken leggen de verenigingen de noodzakelijke procedures en instructies vast. De verenigingen publiceren deze instructies en procedures op hun website en informeren de exploitanten hierover.
§ 3. De vereniging bewaart gedurende minstens zes maanden de ontvangen identificatiedocumenten en overeenstemmende gezondheidscertificaten van runderen afkomstig uit het buitenland.
Art. 4. § 1. Voor het uitvoeren van de bepalingen van dit besluit, dienen de exploitanten en de bedrijfsdierenartsen zich te wenden tot de vereniging die in SANITEL aan de inrichting is gelinkt voor het beheer ervan.
Elke communicatie met SANITEL door of voor de exploitant verloopt ofwel direct in SANITEL ofwel via een interface van de vereniging.
§ 2. De geregistreerde exploitant kan aan een andere vereniging vragen om de in paragraaf 1 bedoelde vereniging te worden. De vereniging die de opdracht aanvaardt, registreert in SANITEL zijn link met de inrichting. Tegelijkertijd kan slechts één vereniging gelinkt zijn aan een inrichting.
Art. 5. Elke exploitant dient aan het Agentschap, aan de vereniging, aan de bedrijfsdierenarts of aan de aangestelde dierenarts alle noodzakelijke hulp te verlenen om de toepassing van dit besluit mogelijk te maken en hij houdt zich aan de door het Agentschap en door de vereniging opgestelde procedures en instructies.
HOOFDSTUK III. - Registratie van exploitanten, inrichtingen en beslagen
Afdeling 1. - De registratie van de exploitanten en de inrichtingen
Art. 6. § 1. Met het oog op de in artikel 84 van verordening (EU) 2016/429 bedoelde registratie, richt de exploitant zijn aanvraag voor zijn registratie als houder en voor het registreren van zijn inrichtingen voor het houden van de dieren, alsook voor elke aanvraag tot wijziging daarin, aan een vereniging naar keuze. Voor elke diersoort dient een aparte aanvraag ingediend te worden. Voor pluimvee kan een enkele aanvraag volstaan voor alle soorten vogels en gelden in bijzonder de artikelen 9 tot 11.
De procedure inzake de registratie van exploitanten die dieren houden en van de inrichtingen voor het houden van dieren, verloopt overeenkomstig artikel 2, § 1quater, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 maar wordt uitgevoerd door de vereniging.
§ 2. Met het oog op de in paragraaf 1 bedoelde registratie worden de te verstrekken gegevens bedoeld in artikel 84 van verordening (EU) 2016/429 aangevuld met de gegevens in bijlage II.
Indien de toelating vereist is, is de te verstrekken informatie deze bedoeld in artikel 96 van verordening (EU) 2016/429 aangevuld met de gegevens in bijlage II.
§ 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde aanvraag tot registratie volledig is, registreert de vereniging de exploitant en de inrichting in SANITEL en wordt zij de in artikel 4 bedoelde vereniging. Indien voor het houden van de dieren de toelating vereist is, wacht de vereniging de beslissing af van het Agentschap alvorens een beslagnummer toe te kennen.
§ 4. Als bewijs van de registratie van de exploitant en zijn inrichting in SANITEL of van een wijziging daarin, ontvangt de exploitant van de vereniging binnen de 30 dagen een beslagfiche die de geregistreerde gegevens over de exploitant en over zijn inrichting samenvat. Deze termijn wordt verlengd tot 45 dagen indien de toelating vereist is. De beslagfiche wordt opgemaakt per diersoort en desgevallend per beslag of voor alle beslagen samen.
§ 5. De exploitant mag op zijn inrichting geen andere categorieën en soorten dieren houden of onder andere omstandigheden dan geregistreerd in SANITEL.
Het aantal door de exploitant gehouden stuks varkens en pluimvee mag niet groter zijn dan de capaciteit.
§ 6. Dit artikel 6 is ook van toepassing op exploitanten van broederijen.
§ 7. Dit artikel 6 is niet van toepassing:
1. op exploitanten die in gevangenschap levende vogels houden. Op deze exploitanten is artikel 114 van toepassing;
2. op de persoon die een dier houdt dat bestemd is voor de particuliere slachting voor zover deze persoon op elk moment in het bezit is van de slachtaangifte en het dier enkel houdt binnen de termijn van de geldigheid van die slachtaangifte.
Art. 7. Op eenzelfde inrichting worden slechts één exploitant en één beslagnummer geregistreerd per diersoort. Voor pluimvee en op een broederij betreft het één exploitant per inrichting voor alle pluimvee.
Runderen en vleeskalveren mogen met een apart beslagnummer onderscheiden worden mits de inrichting voor het houden van vleeskalveren over een toelating beschikt overeenkomstig artikel 106.
De geregistreerde exploitant is ook de verantwoordelijke van de dieren die gewoonlijk over de dieren een onmiddellijk beheer en toezicht uitoefent.
Afdeling 2. - Inrichtingen met meerdere productie-eenheden
Art. 8. § 1. In afwijking op artikel 7 kan een exploitant een schriftelijke aanvraag indienen bij de vereniging om op eenzelfde inrichting voor dezelfde diersoort meerdere productie-eenheden te laten registreren, indien deze productie-eenheden gescheiden eenheden vormen zodat de beslagen met elkaar geen rechtstreeks contact hebben, noch binnen, noch buiten.
Voor alle productie-eenheden met eenzelfde diersoort op eenzelfde inrichting moet eenzelfde exploitant geregistreerd worden als houder van deze dieren.
§ 2. Wanneer op dezelfde inrichting dieren van dezelfde diersoort in meerdere productie-eenheden worden gehouden, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
1. voor elke productie-eenheid wordt een aparte documentatie gehouden, overeenkomstig artikel 22;
2. elke verplaatsing van dieren tussen productie-eenheden wordt geregistreerd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;
3. de voorwaarden in artikel 20 indien het een handelaar betreft.
§ 3. De aanvraag voor het houden van meerdere productie-eenheden per diersoort op eenzelfde inrichting bevat:
1. een gedetailleerd plan van de inrichting met daarop aangeduid de productie-eenheden die de exploitant per beslag wil gebruiken;
2. een door de exploitant ondertekende verklaring, volgens een model dat door de vereniging wordt voorzien, die vermeldt dat hij kennis heeft van de in paragrafen 1 en 2 vermelde voorwaarden waaraan op elk moment moet voldaan worden.
De vereniging voert de aanvraag uit als die volledig is en informeert het Agentschap daarover. Voor de andere dan in artikel 20 bedoelde aanvragen, hoeft de vereniging niet te wachten op een beslissing van het Agentschap, maar volgt zij desgevallend wel haar instructies op.
De vereniging kent aan elke bijkomende productie-eenheid voor dezelfde diersoort een bijkomend beslagnummer toe overeenkomstig de instructies van het Agentschap.
§ 4. Op een inrichting met meerdere beslagen, kent het Agentschap aan elk beslag eenzelfde gezondheidsstatus toe per gereglementeerde dierenziekte, tenzij dit anders bepaald wordt in de specifieke regelgeving over de gereglementeerde ziekten.
Afdeling 3. - Specifieke regels voor inrichtingen waar pluimvee gehouden wordt
Art. 9. § 1. Wanneer op een andere inrichting dan vermeld onder artikel 11, tegelijkertijd meerdere soorten pluimvee of pluimvee van een verschillende categorie of type of leeftijd worden gehouden, is de exploitant verplicht om deze dieren in aparte productie-eenheden onder te brengen overeenkomstig de voorwaarden, procedure en regels van artikel 8.
Een exploitant die op zijn inrichting voor het houden van pluimvee ook vogels aanvoert en houdt van de tien soorten die opgesomd worden in bijlage I, deel B, van verordening (EU) 2016/429, moet deze houden onder dezelfde voorwaarden als deze welke gelden voor pluimvee. Hij mag deze dieren op deze inrichting niet houden als in gevangenschap levende vogels.
§ 2. Bij de opzet van een koppel pluimvee mogen maximaal vijf procent meer dieren geleverd worden dan de capaciteit. Dit maximum bedraagt drie procent wanneer het braadkippen betreft.
Indien de opzet gebeurt onder de vorm van uitkipeieren, mag supplementair aan de norm zoals bepaald in het eerste lid een extra aantal uitkipeieren geleverd worden overeenkomstig het door de broederij voorspelde uitkippercentage, zonder finaal de in het eerste lid bedoelde aantallen eendagskuikens te overschrijden.
Art. 10. Wanneer op een broederij verschillende soorten pluimvee worden uitgebroed, moet de exploitant dit vermelden bij zijn aanvraag tot registratie. De vereniging kent een beslagnummer toe per gehouden soort pluimvee.
De in lid 1 bedoelde broederij is niet verplicht om de verschillende soorten pluimvee in aparte productie-eenheden onder te brengen.
Art. 11. § 1. De exploitant die op een inrichting met een pluimveebedrijf met geringe capaciteit tegelijkertijd meerdere soorten of types pluimvee houdt, moet dit bij zijn aanvraag tot registratie vermelden. De vereniging kent een beslagnummer toe per gehouden soort en type pluimvee.
Voor een inrichting met een pluimveebedrijf met geringe capaciteit gelden volgende afwijkende voorwaarden en bepalingen:
1. de exploitant is niet verplicht om de verschillende soorten pluimvee in aparte productie-eenheden onder te brengen;
2. de in artikel 12 vermelde voorwaarden moeten niet toegepast worden;
3. de productieronde wordt aanzien als zijnde een enkele epidemiologische eenheid;
4. de beslagen mogen in hetzelfde omsloten luchtvolume gehuisvest zijn, voor zover ze per diersoort en type in afzonderlijke hokken worden gehuisvest.
§ 2. De bepalingen in paragraaf 1 zijn ook van toepassing op geregistreerde inrichtingen voor het houden van een klein aantal stuks pluimvee zoals bedoeld in artikel 111.
Art. 12. § 1. Bij het opvullen van een productie-eenheid met pluimvee, mag het tijdsverschil tussen het eerst en laatst aangekomen dier maximaal 72 uur bedragen.
In afwijking op het eerste lid, bedraagt het tijdsverschil tussen het eerst en laatst aangekomen dier maximaal zeven dagen in het geval van pluimvee van het type leg.
§ 2. Het bepaalde in paragraaf 1 geldt niet voor:
1. het toevoegen of vernieuwen van hanen bij fokpluimvee;
2. het bijzetten van legpluimvee bij ruikoppels.
Afdeling 4. - Specifieke regels voor inrichtingen waar varkens gehouden worden
Art. 13. § 1. Een geregistreerde exploitant die varkens houdt, kan een schriftelijke aanvraag indienen bij de vereniging om aan eenzelfde inrichting voor het houden van varkens een enkele inrichting als nevenlocatie te koppelen, onder de volgende voorwaarden:
1. het doel van de nevenlocatie is het isoleren van nieuw aangekochte varkens voor de introductie op het varkensbedrijf. Deze locatie wordt dan beschouwd als isolatiestal;
2. deze nevenlocatie dient geregistreerd te zijn in SANITEL overeenkomstig artikel 6;
3. deze nevenlocatie moet gelegen zijn in een cirkel met een straal van maximaal 5 km rond het varkensbedrijf waaraan het gelinkt wordt.
§ 2. De exploitant die meerdere inrichtingen voor varkens uitbaat, mag de in paragraaf 1 bedoelde isolatiestal ook gebruiken voor de isolering van varkens die bestemd zijn voor zijn andere inrichtingen voor varkens.
De varkens van dezelfde exploitant die tegelijkertijd in isolatie worden geplaatst, mogen daarna naar zijn verschillende inrichtingen gaan.
Art. 14. Wanneer een exploitant op eenzelfde inrichting zowel varkens als gezelschapsvarkens wil houden, moet hij voor de gezelschapsvarkens een apart beslagnummer aanvragen overeenkomstig artikel 8 en de gezelschapsvarkens van dit beslag strikt gescheiden houden van de productie-eenheden met varkens.
Wanneer op een inrichting met varkens ook een categorie gezelschapsvarkens wordt gehouden, gelden voor de gezelschapsvarkens dezelfde regels als voor de andere varkens, tenzij dit anders bepaald wordt in de specifieke regelgeving over de gereglementeerde ziekten.
Afdeling 5. - Specifieke regels voor inrichtingen waar runderen gehouden worden
Art. 15. § 1. Een exploitant die runderen houdt, kan een schriftelijke aanvraag indienen bij de vereniging om aan eenzelfde inrichting voor het houden van runderen een maximum van 2 nevenlocaties te koppelen voor het huisvesten van een beslag runderen. Elk van deze nevenlocaties wordt door de vereniging geregistreerd in SANITEL. De runderen op deze nevenlocaties blijven ingeschreven onder hetzelfde beslagnummer als dat van de inrichting die de hoofdlocatie is.
De hoofdlocatie is steeds de actieve inrichting en heeft steeds een volledig adres. Indien de nevenlocatie geen volledig adres heeft, worden zijn geografische coördinaten geregistreerd in SANITEL.
De voorwaarden waaraan deze nevenlocaties moeten voldoen zijn:
1. ze moeten, samen met de hoofdlocatie, in dezelfde cirkel met een straal van maximaal 25 km liggen;
2. op een nevenlocatie mogen slechts runderen van één enkel beslag van de hoofdlocatie gehuisvest worden;
3. elke nevenlocatie beschikt steeds over de nodige infrastructuur voor de permanente huisvesting van runderen. De weiden voor seizoensgebonden begrazing, al dan niet voorzien van een schuilhok, kunnen niet beschouwd worden als nevenlocaties.
De vereniging registreert de aanvraag en informeert het Agentschap. De vereniging hoeft niet te wachten op een beslissing van het Agentschap, maar volgt desgevallend wel haar instructies op.
§ 2. De exploitant die de hoofdlocatie wil wijzigen, volgt de procedure van registratie zoals voorzien in artikel 6.
§ 3. Aan het geheel van de inrichting en zijn nevenlocaties kent het Agentschap eenzelfde gezondheidsstatus toe per gereglementeerde dierenziekte, tenzij dit anders bepaald wordt in specifieke regelgeving voor gereglementeerde ziekten.
§ 4. Vleeskalverhouderijen komen niet in aanmerking voor de toepassing van dit artikel.
Art. 16. Een exploitant die runderen houdt op weiden, buiten een straal van maximaal 25 km rond de inrichting of buiten de cirkel bedoeld in artikel 15, § 1, derde lid, punt 1, moet hiervan jaarlijks vóór 1 april aangifte doen bij de vereniging, die deze weiden registreert in SANITEL. De aangifte bevat: perceelnummer bij het kadaster, adres of geografische coördinaten, kadastrale legger met de naam van de exploitanten, gebruikers van de direct aangrenzende weiden indien daar ook runderen worden gehouden.
Afdeling 6. - De handelaar met een inrichting
Art. 17. § 1. Een handelaar met een handelaarsstal moet zich in toepassing van artikel 84 van verordening (EU) 2016/429 als exploitant laten registreren zoals bepaald in artikel 6.
De vereniging registreert de handelaar en zijn handelaarsstal op voorwaarde dat hij de toelating als handelaar met huisvesting kan voorleggen die hij kan aanvragen bij het Agentschap. De vereniging verifieert deze toelating bij het Agentschap alvorens een specifiek beslagnummer toe te kennen aan de handelaarsstal.
§ 2. De vereniging informeert de handelaar in runderen over zijn verplichting om de registraties met betrekking tot de aanvoer, de afvoer en de sterfte van runderen op elektronische wijze uit te voeren in SANITEL, in overeenstemming met artikel 66.
§ 3. Het pluimvee dat door een handelaar in pluimvee wordt aangekocht en vervolgens gelost wordt in zijn handelaarsstal of aangeboden wordt op een verzamelplaats, wordt vanaf dan niet langer beschouwd als pluimvee maar als in gevangenschap levende vogels.
Art. 18. Een handelaar in runderen mag een rund in zijn handelaarsstal maximaal 30 dagen houden. De dag van aanvoer en de dag van afvoer worden meegerekend.
Art. 19. § 1. De handelaar in runderen mag de dieren op de handelaarsstal enkel buiten laten op weiden die aansluiten bij de inrichting en die op geen enkele andere weide van een andere inrichting waarop runderen worden gehouden, aansluiten.
§ 2. De handelaar in runderen kan voor de beslagen op de inrichting waar ook zijn handelaarsstal is gevestigd geen gebruik maken van het bepaalde in artikel 15.
§ 3. De handelaar mag de runderen op de inrichting waar ook zijn handelaarsstal is gevestigd, niet plaatsen in weiden buiten een straal van maximaal 25 km rond de inrichting.
§ 4. Het is verboden om op eenzelfde inrichting tegelijkertijd een vleeskalverhouderij en een handelaarsstal uit te baten.
Art. 20. § 1. De handelaar in runderen die op dezelfde inrichting zowel een handelaarsstal als een rundveehouderij wil houden, volgt de procedure en de voorwaarden zoals bepaald in artikel 8, maar de aanvraag moet voorafgaandelijk goedgekeurd worden door het Agentschap.
In aanvulling op artikel 8, § 2:,
1. dient een handelaarsstal steeds te beschikken over stallen om runderen te kunnen opstallen. De handelaar mag niet meer runderen houden op zijn handelaarsstal dan welke hij op ieder moment volledig kan opstallen;
2. dient een permanente materiële afsluiting aanwezig te zijn rond de handelaarsstal, op die wijze dat dieren van dit beslag niet kunnen ontsnappen of toegang kunnen hebben tot de andere productie-eenheden. Het Agentschap oordeelt over de kwaliteit van de afsluiting.
§ 2. Om de in paragraaf 1 bedoelde goedkeuring te bekomen, maakt de vereniging de aanvraag over aan het Agentschap. Het Agentschap beslist binnen de 30 dagen na ontvangst van een volledig dossier. Indien geen beslissing wordt genomen binnen deze termijn, wordt de aanvraag als gunstig beschouwd.
Indien het Agentschap haar goedkeuring niet geeft, kan de handelaar een keuze maken om op de betrokken inrichting ofwel een handelaarsstal ofwel een rundveehouderij te behouden.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde handelaar die zijn toelating als handelaar verliest, verliest elk specifiek beslagnummer op elk van zijn inrichtingen en moet alle in de handelaarsstal aanwezige runderen verhandelen binnen de zeven dagen die volgen op de notificatie van het verlies, of deze overnemen in zijn eigen beslag volgens de daarvoor geldende procedures.
§ 4. Op een inrichting waar de in paragraaf 3 bedoelde maatregelen werden uitgevoerd, wordt gedurende minstens een jaar na de beslissing geen specifiek beslagnummer voor een handelaar toegekend.
HOOFDSTUK IV. - De voorschriften voor het houden van dieren
Afdeling 1. - Algemene voorschriften voor de exploitant die dieren houdt
Art. 21. Beslagen van verschillende inrichtingen mogen met elkaar geen contact hebben.
De exploitant neemt alle noodzakelijke maatregelen om te vermijden dat zijn beslagen contact hebben met andere beslagen.
Een uitzondering op dit artikel geldt voor het toepassen van de openbare dekdienst.
Afdeling 2. - Documentatieverplichtingen
Art. 22. § 1. De exploitant die dieren houdt, houdt documentatie bij zoals voorzien in artikel 102 en artikel 106 van verordening (EU) 2016/429, in zijn gedelegeerde handelingen en in dit besluit en bewaart deze gedurende een periode van minimum 3 jaar.
§ 2. De registraties met betrekking op de geboorte, het spenen of het uitkippen, op de sterfte en op de verplaatsingen van dieren, worden gebundeld in een document per beslag, beslagregister genoemd en waarvan het model wordt vastgelegd door de verenigingen en door het Agentschap wordt gevalideerd. Het document is beschikbaar via de verenigingen en op de website van het Agentschap.
De exploitant registreert de in lid 1 bedoelde gebeurtenissen in het beslagregister binnen de zeven dagen na de gebeurtenis. In afwachting van zijn registratie houdt hij die informatie op ieder moment ter beschikking.
De exploitant is vrijgesteld van het bijhouden van het beslagregister indien hij gebruik maakt van het bepaalde in artikel 102, lid 4 van verordening (EU) 2016/429 en indien hij de in lid 2 bedoelde registraties binnen de 7 dagen uitvoert in SANITEL.
§ 3. De exploitant houdt het gezondheidscertificaat bij dat hij ontvangt bij de aankomst van dieren afkomstig uit het buitenland.
Voor runderen gelden de volgende specifieke bepalingen:
1. wanneer de exploitant gebruik maakt van het bepaalde in paragraaf 2, lid 3, volstaat de aanwezigheid van het gezondheidscertificaat in afwachting van de registratie van de runderen in SANITEL door de vereniging. Hetzelfde geldt in de gevallen dat de exploitant een kopie van het gezondheidscertificaat ontvangt.
2. de exploitant die een rund aanvoert uit een derde land, houdt het gezondheidscertificaat bij dat hij ontvangt bij de aankomst van dieren. In afwachting van de identificatie en de registratie van deze runderen door de vereniging volstaat de aanwezigheid van het gezondheidscertificaat als register. Het beslagregister wordt ingevuld wanneer de vereniging de identificatie uitvoert.
Art. 23. De exploitant houdt de in artikel 22 bedoelde documentatie bij als volgt:
1. per beslag op een inrichting met meerdere productie-eenheden;
2. op elektronische wijze in SANITEL wanneer op een inrichting runderen in meerdere productie-eenheden worden gehouden;
3. op elektronische wijze voor een broederij;
4. op elektronische wijze voor de handelaar in runderen en zoals voorzien in artikel 66;
5. op slechts één locatie indien er meerdere locaties voor dezelfde inrichting worden gebruikt.
Afdeling 3. - Het verplaatsingsdocument voor andere dieren dan runderen
Art. 24. § 1. Dit artikel is niet van toepassing op runderen.
§ 2. Bij het verplaatsen van dieren wordt een verplaatsingsdocument opgesteld overeenkomstig de bepalingen in de artikelen 16, 17 en 18 van het koninklijk besluit van 20 mei 2022 betreffende het vervoer, het verzamelen en het verhandelen van bepaalde landdieren.
§ 3. De exploitant die dieren houdt, verzekert zich ervan dat de exploitant die dieren ophaalt of aflevert op zijn inrichting, hem voorziet van een kopie van het verplaatsingsdocument over het betrokken transport, hetzij op papier of op elektronische wijze. De exploitant moet binnen de zeven dagen na de dag van de verplaatsing van de dieren in het bezit zijn van zijn kopie van het verplaatsingsdocument.
De exploitanten van de laad- en losplaats controleren of de inhoud van hun kopie van het verplaatsingsdocument correct is en melden fouten daarin aan de vereniging.
De vereniging onderzoekt de in lid 2 gemelde fout, corrigeert desgevallend de gegevens in SANITEL en verhaalt de kosten daarvoor op diegene die de fout heeft gemaakt indien de fout binnen de veertien dagen na de dag van aankomst van de dieren werd gemeld en zo niet, bij de in lid 2 bedoelde exploitant.
HOOFDSTUK V. - De erkende identificatiemiddelen
Afdeling 1. - Bestelling, levering en beheer van identificatiemiddelen
Art. 25. § 1. De bepalingen in de artikelen 26 tot en met 34 van dit besluit zijn enkel van toepassing op de volgende visuele identificatiemiddelen:
a) het conventioneel of elektronisch oormerk;
b) de conventionele of elektronische pootband;
c) de pootring.
§ 2. De Minister bepaalt de specifieke voorwaarden en modaliteiten voor het bestellen, het leveren, het beheren, het in voorraad houden en het identificeren van dieren met de volgende niet-visuele identificatiemiddelen:
a) de injecteerbare transponder;
b) de bolustransponder.
Art. 26. § 1. Erkende identificatiemiddelen voor de identificatie van dieren of voor de hermerking van dieren kunnen uitsluitend besteld worden via een erkende vereniging.
§ 2. De exploitant:
1. mag op zijn inrichting enkel die erkende identificatiemiddelen houden en gebruiken die voor zijn inrichting werden besteld;
2. bewaart de voorraad erkende identificatiemiddelen op de inrichting waarvoor ze zijn besteld;
3. gebruikt de erkende identificatiemiddelen op de inrichting per beslag waarvoor ze zijn besteld;
4. mag erkende identificatiemiddelen die besteld werden voor het hermerken van een dier enkel gebruiken voor het betrokken dier.
§ 3. De handelaar kan geen erkende identificatiemiddelen bestellen of in voorraad hebben voor zijn handelaarsstal. Hij kan wel, geval per geval, een erkend identificatiemiddel bestellen voor een hermerking of indien er bij een rund van dit beslag een geboorte plaatsvindt.
Art. 27. Indien de exploitant op zijn inrichting stopt met het houden van dieren, dient hij al de nog niet gebruikte erkende identificatiemiddelen van de betrokken diersoort of van het betrokken beslag binnen de zeven dagen na de melding van stopzetting terug te zenden aan de vereniging.
Voor elk nog erkend individueel identificatiemiddel voor runderen, schapen, geiten, hertachtigen en kameelachtigen dat wordt ingeleverd, wordt aan de exploitant de betaalde waarde terugbetaald op voorwaarde dat dit intact is en op hygiënische wijze bewaard werd.
Art. 28. De exploitant van een slachthuis is ertoe gehouden om alle maatregelen te nemen opdat de erkende identificatiemiddelen uit de karkassen van geslachte dieren verwijderd worden en niet kunnen gerecupereerd worden. Hij voert deze identificatiemiddelen op gepaste wijze af voor vernietiging.
De identificatiemiddelen die aanwezig zijn op voor de slacht bestemde dieren, mogen pas verwijderd worden nadat de post-mortem keuring is uitgevoerd.
Art. 29. § 1. De exploitant mag per beslag een voorraad erkende identificatiemiddelen aanschaffen die beantwoordt aan de behoefte voor dit beslag voor een periode van ten hoogste 12 maanden.
§ 2. De vereniging berekent de behoefte aan erkende identificatiemiddelen per beslag op basis van:
1. het aantal aanwezige vrouwelijke dieren; en/of
2. de capaciteit; en
3. de nog aanwezige reserve; en
4. de bepalingen in de artikelen 30, 31 en 32.
Art. 30. De vereniging die een bestelling voor erkende identificatiemiddelen voor runderen behandelt:
1. levert voor een beslag met niet meer dan vijf vrouwelijke runderen ten hoogste vijf paar identificatiemiddelen;
2. houdt bij de berekening van de behoefte aan identificatiemiddelen per beslag enkel rekening met vrouwelijke runderen van ten minste 15 maanden oud;
3. registreert en beheert in SANITEL per beslag de afgeleverde en gebruikte individuele identificatiecodes.
Art. 31. § 1. De vereniging die een bestelling van erkende identificatiemiddelen voor varkens behandelt, houdt voor de berekening van de behoefte per beslag rekening met:
1. het type productie-eenheid, de capaciteit, de categorieën gehouden varkens en de kengetallen, door het Agentschap vastgesteld in een richtlijn aan de verenigingen;
2. het rekenkundig voorspeld verbruik sinds de laatste bestelling en op basis van de gegevens in punt 1.
§ 2. Wanneer de vereniging bij een bestelling van erkende identificatiemiddelen voor varkens vaststelt dat er voor het beslag geen bezoekrapport is geregistreerd met een bezoeksdatum binnen de 4,5 maand voorafgaand aan de datum van de bestelling, wordt de bestelling slechts uitgevoerd nadat de bedrijfsdierenarts een geldig bezoekrapport heeft geregistreerd in SANITEL.
§ 3. Een exploitant kan bij de vereniging een gemotiveerde aanvraag doen voor een bestelling van een aantal erkende identificatiemiddelen dat de aantallen, bepaald in uitvoering van paragraaf 1, overschrijdt.
De vereniging beoordeelt de in lid 1 bedoelde aanvraag en vraagt desgevallend, overeenkomstig de richtlijnen, advies aan het Agentschap dat hierover beslist binnen de 30 dagen. Een negatief advies wordt door het Agentschap genotificeerd aan de exploitant en aan de vereniging.
Art. 32. De vereniging die een bestelling voor erkende identificatiemiddelen voor schapen, geiten, hertachtigen en kameelachtigen behandelt:
1. levert voor een inrichting met niet meer dan vijf vrouwelijke dieren ten hoogste tien paar identificatiemiddelen;
2. houdt bij de berekening van de behoefte aan identificatiemiddelen voor een inrichting enkel rekening met vrouwelijke dieren van ten minste 6 maanden oud;
3. registreert en beheert in SANITEL per beslag de afgeleverde individuele identificatiecodes.
Art. 33. Aan een besteld identificatiemiddel dat bestemd is voor een hermerking van een dier, wordt een hermerkingscode toegevoegd.
Afdeling 2. - Erkenning van identificatiemiddelen en voorwaarden voor de leveranciers
Art. 34. § 1. De minister erkent de in artikel 25, § 1, bedoelde visuele identificatiemiddelen op basis van de in artikelen 35 en 36 bepaalde procedure.
§ 2. De minister erkent de in artikel 25, § 2, bedoelde niet-visuele identificatiemiddelen. Hij kan aan elk erkend niet-visueel identificatiemiddel een officieel erkenningsnummer toekennen. Het Agentschap informeert de vereniging over elke erkenning.
De minister kan specifieke voorwaarden bepalen waaraan de in lid 1 bedoelde niet-visuele identificatiemiddelen moeten voldoen om te worden erkend. Hij kan beroep doen op de in artikelen 35 en 36 bepaalde procedures of een aangepaste procedure vastleggen.
§ 3. Behoudens de in artikel 40 bedoelde erkende klophamer, is het gebruik van de tatoeage, vermeld onder punt g), van bijlage III van verordening (EU) 2019/2035, niet toegelaten als erkend identificatiemiddel.
Art. 35. § 1. De leverancier richt een aanvraag voor erkenning van een in artikel 25, § 1, bedoeld visueel identificatiemiddel bij aangetekend schrijven of op elektronische wijze aan het Agentschap. Deze aanvraag bevat een volledig dossier overeenkomstig bijlage III, punt A.
§ 2. Om erkend te worden dient een conventioneel of elektronisch oormerk te beantwoorden aan de bijkomende criteria die vastgelegd zijn in bijlage III, punt B.
Art. 36. Het Agentschap zendt een bevestiging van de in artikel 35 bedoelde aanvraag aan de leverancier en kan de aanvraag voor advies voorleggen aan de verenigingen.
Binnen de 30 dagen na ontvangst van het dossier van het Agentschap bevestigt de vereniging bij de leverancier de ontvangst van het dossier met daarbij:
1. hetzij een verklaring van ontvankelijkheid van de aanvraag indien het dossier volledig is;
2. hetzij een vraag naar de noodzakelijke aanvullingen om het dossier volledig te maken.
Bij gebrek aan een volledig dossier binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de postdatum van de brief die het onvolledig karakter van de aanvraag aangeeft, wordt de aanvraag van erkenning zonder gevolg geklasseerd.
De verenigingen onderzoeken het dossier en geven binnen een termijn van 90 dagen vanaf de datum dat het dossier ontvankelijk werd verklaard een schriftelijk advies aan het Agentschap. Deze termijn kan verlengd worden indien de verenigingen binnen de 30 dagen na ontvangst van het dossier een gemotiveerde aanvraag richten aan het Agentschap voor het uitvoeren van bijkomende onderzoeken met betrekking tot punt 5 van bijlage III, punt A. Het Agentschap bepaalt deze termijn.
Het Agentschap legt binnen de 45 dagen na ontvangst van het advies van de verenigingen een voorstel van erkenning of weigering voor aan de Minister.
De Minister deelt binnen de 30 dagen na ontvangst van het voorstel van het Agentschap zijn beslissing bij aangetekend schrijven mee aan de leverancier en hij kent aan elk erkend identificatiemiddel een officieel erkenningsnummer toe. Het Agentschap informeert de vereniging over deze beslissing.
Art. 37. De verenigingen zijn verplicht om alle erkende identificatiemiddelen op dezelfde wijze bekend te maken en aan te bieden aan de exploitanten en dit minstens via hun website.
Art. 38. De Minister kan de erkenning van een identificatiemiddel schorsen of intrekken wanneer één of meer van onderstaande voorwaarden zich voordoen:
1. de leverancier levert erkende identificatiemiddelen die niet voldoen aan de bepalingen van verordening (EU) 2016/429 of van zijn gedelegeerde handelingen en zijn uitvoeringshandelingen;
2. de leverancier levert erkende identificatiemiddelen die niet voldoen aan de bepalingen van bijlage III of aan de specifieke voorwaarden die aan de erkenning werden verbonden door de minister;
3. de leverancier leeft de verbintenissen, bedoeld in bijlage III, punt A, 8, niet na;
4. vanwege de leverancier is er een onderbreking van de levering van een erkend identificatiemiddel gedurende:
a) een continue periode van meer dan 2 jaar;
b) een discontinue periode van meer dan 2 jaar over 3 opeenvolgende jaren.
Art. 39. De Minister kan in toepassing van artikel 9bis van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, in uitzonderlijke situaties en tijdelijk het gebruik van andere identificatiemiddelen en identificatiemethoden verplichten. In die gevallen bepaalt hij het model en kan hij de modaliteiten bepalen voor het beheer, de verdeling en het gebruik ervan.
Indien deze uitzonderlijke situatie hoogdringend is, kan de Minister afwijken van de procedure voor een erkenning voor een identificatiemiddel zoals voorzien in artikel 34.
Afdeling 3. - De tatoeage
Art. 40. § 1. De klophamerstempel is een bij dit besluit erkend identificatiemiddel onder de vorm van een tatoeage.
De artikelen 26 tot en met 39 zijn niet van toepassing op de klophamerstempel.
§ 2. Het gebruik van de tatoeage als erkend identificatiemiddel is:
1. verboden bij andere varkens dan voor de slacht bestemde varkens;
2. verboden bij voor de slacht bestemde varkens met een gewicht van minder dan 70 kg;
3. verboden bij voor de slacht bestemde varkens die verplaatst worden naar een verzamelplaats of naar het buitenland.
§ 3. De klophamerstempel mag enkel de beslagcode vermelden. In afwijking op artikel 2, § 2, 14°, mag de beslagcode aangevuld worden met één extra karakter, kenmerkend voor een beslag wanneer artikel 8 wordt toegepast.
In afwijking op het lid 1, mogen bijkomende alfanumerieke karakters toegevoegd worden aan de klophamerstempel onder de volgende voorwaarden:
1. de bijkomende alfanumerieke karakters mogen de beslagcode niet voorafgaan;
2. de leesbaarheid van de tatoeage mag niet in het gedrang komen;
3. er mag geen verwarring zijn met het bepaalde in lid 1.
§ 4. Een klophamerstempel die is aangebracht bij een voor de slacht bestemd varken is enkel geldig indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. de klophamer is gebruikt overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 2;
2. indien bijkomend inkt wordt gebruikt op de stempel, mag het enkel inkt zijn die toegelaten is in België in toepassing van verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven;
3. de klophamer dient zodanig onderhouden en gebruikt te worden dat ze bij de varkens geen ander letsel dan de beoogde tatoeage veroorzaakt;
4. de klophamer dient van zodanige kwaliteit te zijn dat elke tatoeage met één enkele slag leesbaar wordt aangebracht;
5. er mogen maximaal 2 klophamerstempels aangebracht worden op het varken;
6. om correct geïdentificeerd te zijn, moet op het karkas op minstens een flank de tatoeage duidelijk leesbaar zijn.
HOOFDSTUK VI. - Algemene bepalingen betreffende het identificeren en het registreren van dieren
Art. 41. De exploitant die kiest voor een identificatie of voor een hermerking van een dier met een injecteerbare transponder laat de plaatsing ervan uitvoeren door zijn bedrijfsdierenarts of, wanneer geen bedrijfsdierenarts verplicht is, door een erkende dierenarts naar keuze. De dierenarts volgt daarbij de instructies van de vereniging.
Wanneer de injecteerbare transponder een visueel identificatiemiddel vervangt, mag de dierenarts dit visueel identificatiemiddel verwijderen volgens de instructies van de vereniging.
Art. 42. § 1. De bepalingen in dit besluit die gelden voor het registreren van dieren op een inrichting met één beslag, gelden per beslag indien de exploitant meerdere beslagen heeft laten registreren voor dezelfde diersoort, overeenkomstig artikel 8.
§ 2. De registraties en meldingen die de exploitant moet uitvoeren in toepassing van dit besluit, mag hij onder dezelfde voorwaarden en termijnen laten uitvoeren door de vereniging of door een door hem gemachtigde derde partij. De exploitant behoudt evenwel de verantwoordelijkheid voor de tijdige en correcte registratie en melding in SANITEL.
Art. 43. De exploitant, andere dan een handelaar, mag enkel dieren identificeren en hermerken die in een beslag op zijn inrichting gehouden worden. Voor de handelaar gelden de bepalingen in artikel 26, § 3.
Art. 44. § 1. Elke exploitant dient erop toe te zien dat elk dier dat hij houdt op elk moment, ook na sterfte, zijn identificatiemiddel behoudt.
§ 2. Het is verboden aan exploitanten om de erkende identificatiemiddelen te verwijderen waarmee de dieren zijn geïdentificeerd, zelfs als ze zijn gestorven.
Het bepaalde in lid 1 geldt ook voor de erkende identificatiemiddelen die aanwezig zijn op dieren afkomstig uit andere landen.
Het bepaalde in lid 1 geldt niet in de gevallen, voorzien bij het uitvoeren van een hermerking zoals bepaald in artikel 47.
§ 3. Het Agentschap kan voor situaties die niet worden geregeld door dit besluit, geval per geval, beslissen om erkende identificatiemiddelen te verwijderen of te vervangen en de voorwaarden daartoe vastleggen.
Art. 45. Elk dier dat niet geïdentificeerd en geregistreerd is overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, wordt beschouwd als zijnde niet geïdentificeerd en niet traceerbaar.
Het Agentschap beslist bij elke vaststelling van een in lid 1 bedoeld dier of lot dieren of zij alsnog mogen geïdentificeerd worden en legt daarbij de voorwaarden vast voor hun toelating tot de voedselketen.
Art. 46. Indien de exploitant andere merktekens dan de erkende identificatiemiddelen wenst aan te brengen bij een dier, dient dit op dergelijke wijze te gebeuren dat de leesbaarheid van de wettelijke identificatie bij dat dier niet in het gedrang komt.
Op de erkende identificatiemiddelen mogen geen vermeldingen of wijzigingen worden aangebracht, die de leesbaarheid ervan in het gedrang brengen.
Art. 47. § 1. De exploitant kan enkel zelf een hermerking uitvoeren bij dieren indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1. het dier is aanwezig op zijn inrichting en geregistreerd in een beslag van die inrichting;
2. runderen, schapen, geiten, hertachtigen en kameelachtigen dragen nog één identificatiemiddel dat niet onleesbaar is.
Voor een hermerking in alle andere gevallen dan bedoeld onder lid 1, neemt de exploitant contact met de vereniging.
De exploitant volgt voor het hermerken de bepalingen in:
1. artikel 59 voor varkens;
2. de artikelen 68 tot en met 71 voor runderen;
3. de artikelen 83 tot en met 86 voor schapen en geiten;
4. de artikelen 93 tot en met 96 voor gehouden hertachtigen;
5. artikel 99 voor gehouden kameelachtigen.
§ 2. Een geplaatst onleesbaar erkend identificatiemiddel is een identificatiemiddel dat verloren is of waarvan de identificatiecode of de beslagcode of de transponder onleesbaar zijn of onleesbaar zijn aangebracht bij een dier. De onleesbaarheid van de klophamerstempel wordt bepaald op het karkas in het slachthuis.
§ 3. De exploitant die een hermerking uitvoert mag het nog aanwezige visuele identificatiemiddel op het dier verwijderen door middel van het doorknippen van de sluiting op het moment van de hermerking.
Art. 48. De exploitant die vaststelt dat hij het identificeren of het hermerken van dieren niet correct heeft uitgevoerd, vraagt ten laatste op de eerstvolgende werkdag na de vaststelling, de tussenkomst van de vereniging.
De exploitant die fouten vaststelt bij de registratie van een geboorte van een dier of die vaststelt dat een verkeerde datum van sterfte, aankomst of vertrek van een dier of lot dieren werd geregistreerd, meldt dit aan de vereniging en volgt de procedures en instructies van de vereniging om tot een correctie te komen of corrigeert waar mogelijk zelf deze fouten op elektronische wijze in SANITEL.
Art. 49. De exploitant die vaststelt dat een dier dat hij houdt spoorloos is, is verplicht om dit te melden aan de vereniging door middel van het overmaken van een kopie van de aangifte van verdwijning bij de politie waarop de volledige identificatiecode van het verdwenen dier vermeld staat. De melding van de verdwijning aan de vereniging gebeurt binnen de zeven dagen na de datum van aangifte van de verdwijning bij de politie.
Art. 50. Bij het vervoer heen en terug en gedurende het verblijf in een diergeneeskundige praktijk of kliniek, dient een dier vergezeld te zijn van een geldig papieren verplaatsingsdocument. Er is daarvoor geen registratie vereist in SANITEL.
De diergeneeskundige praktijk of kliniek houdt een register bij van deze verplaatsingsdocumenten gedurende drie jaar, chronologisch gerangschikt volgens datum van de aankomst.
Bij sterfte van een rund in de praktijk of kliniek, brengt de dierenarts de exploitant hiervan op de hoogte door het overmaken van een kopie van het overeenstemmende verplaatsingsdocument met duidelijke vermelding daarop van de sterfte en sterftedatum. De exploitant registreert de sterfte van het rund zoals bepaald in dit besluit.
HOOFDSTUK VII. - Identificatie en registratie van pluimvee en konijnen
Art. 51. § 1. Exploitanten identificeren hun pluimvee overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 1, A.
Een exploitant mag pluimvee van de categorie sportduiven en sierduiven enkel ter slachting aanbieden indien zij in een beslag worden gehouden en overeenkomstig bijlage IV, punt 1, B, geïdentificeerd zijn. Deze bepaling geldt voor alle duiven in het beslag.
§ 2. De onder punten 1 en 3 in bijlage IV, punt 1, B, vermelde identificatiemiddelen worden beschouwd als erkend voor de toepassing van dit besluit.
§ 3. De identificatieverplichtingen in paragraaf 1 zijn niet van toepassing op:
1. duiven van specifieke rassen van vleesduiven die duidelijk te onderscheiden zijn van sportduiven en sierduiven;
2. duiven die als voor de slacht bestemde dieren uit het buitenland toekomen.
§ 4. De exploitant van een slachthuis mag enkel duiven ter slachting aanvaarden die als pluimvee geregistreerd zijn en conform dit artikel geïdentificeerd zijn.
Art. 52. Exploitanten identificeren hun konijnen overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 2.
Art. 53. Pluimvee en konijnen die worden verplaatst gaan vergezeld van een verplaatsingsdocument zoals bedoeld in artikel 24.
Art. 54. § 1. De exploitant van een inrichting met pluimvee houdt aanvullend op artikel 22, documentatie bij over:
1. de bestemming van elke afvoer van broedeieren;
2. de productiviteit van het koppel pluimvee, waaronder:
a) verbruik van voeder;
b) gewichtstoename tijdens de periode van vetmesting;
3. vastgestelde ziekten;
4. de oorzaak van een abnormale sterfte;
5. verslagen van het slachthuis over de resultaten van de ante- en post-mortem keuringen;
6. de uitslagen van de onderzoeken, uitgevoerd overeenkomstig bijlage VI.
§ 2. De exploitant van een broederij houdt aanvullend op artikel 22, documentatie bij over:
1. de uitgevoerde laboratoriumonderzoeken en de resultaten daarvan;
2. de data van de reiniging en ontsmetting die zijn uitgevoerd op de onderdelen van de broederij;
3. de uitslagen van de onderzoeken, uitgevoerd overeenkomstig bijlage VI.
Art. 55. Om een sluitende traceerbaarheid van de in artikel 51, § 1, lid 2, bedoelde duiven te bewijzen, kan het Agentschap vragen aan de exploitant die deze duiven in de voedselketen brengt om aan te tonen dat:
1. de duif gedurende gans haar leven heeft verbleven op geregistreerde beslagen;
2. de duif nooit verbleven heeft op een duiventil die niet geregistreerd is in SANITEL.
HOOFDSTUK VIII. - Identificatie en registratie van varkens
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 56. § 1. Exploitanten identificeren hun varkens overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 3.
§ 2. Het identificeren van varkens gebeurt naargelang het geval met een van de volgende erkende identificatiemiddelen die steeds de beslagcode vermelden:
1. een beslagoormerk, zijnde een conventioneel of een elektronisch oormerk;
2. een slachtmerk, zijnde ofwel:
a. een vuurvast beslagoormerk; of
b. een vuurvaste slachtclip;
3. de klophamerstempel, zoals bedoeld in en gebruikt overeenkomstig artikel 40.
Art. 57. De exploitant die varkens houdt en op zijn inrichting varkens verwerft die afkomstig zijn uit een derde land, verwittigt de vereniging daarover binnen de drie dagen volgend op hun aankomst en legt een bezoek vast binnen de zeven dagen na hun aankomst. Hij voert de identificatie en registratie van deze ingevoerde varkens uit onder direct toezicht en in aanwezigheid van de vereniging.
Van elke ontvangen zending ingevoerde varkens registreert de exploitant de identificatienummers van het derde land in het beslagregister.
Afdeling 2. - Hermerken van varkens
Art. 58. De exploitant voert enkel een hermerking uit bij zijn varkens in de in artikel 59 bedoelde gevallen en indien voldaan is aan de bepalingen van artikel 47.
Art. 59. § 1. Op de inrichting waar bij meer dan 10% van de varkens in een categorie het beslagoormerk onleesbaar is, mag de exploitant bij deze varkens een nieuw beslagoormerk plaatsen.
§ 2. Elk geïdentificeerd varken, ander dan een voor de slacht bestemd varken, waarvan op moment van de afvoer uit het beslag het beslagoormerk onleesbaar is, moet ten laatste op het moment van het laden door de exploitant hermerkt worden met een nieuw beslagoormerk.
§ 3. Bij een lot voor de slacht bestemde varkens mag bij maximaal 5% van de geïdentificeerde dieren het erkend identificatiemiddel van het beslag waaruit ze vertrekken onleesbaar zijn.
Indien bij meer dan 5% van de dieren in een lot voor de slacht bestemde varkens het erkend identificatiemiddel van het beslag waaruit ze vertrekken onleesbaar is, moet de exploitant deze ten laatste op het moment van het laden hermerken met een nieuw erkend identificatiemiddel van het beslag.
Bij loten geïdentificeerde voor de slacht bestemde varkens van minder dan 20 stuks, dient elk varken drager te zijn van een leesbaar erkend identificatiemiddel van het beslag waaruit het vertrekt. Indien de klophamerstempel wordt gebruikt, mag bij maximaal één varken de tatoeage onleesbaar zijn.
§ 4. Bij een lot geïdentificeerde voor de slacht bestemde varkens dat bestemd is voor het buitenland of dat passeert via een verzamelplaats, mag bij geen enkel varken het erkend identificatiemiddel van het beslag van vertrek onleesbaar zijn. In voorkomend geval moet de exploitant deze varkens ten laatste op moment van het laden hermerken met een nieuw erkend identificatiemiddel van het beslag.
HOOFDSTUK IX. - Identificatie en registratie van runderen
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 60. Exploitanten identificeren hun runderen die op hun inrichting worden geboren overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 4, A, en registreren deze runderen individueel:
1. in SANITEL overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 4, B.
2. in het in artikel 22, § 2 bedoelde beslagregister met de gegevens over hun identiteit.
Art. 61. De exploitant die runderen houdt en op zijn inrichting runderen verwerft die afkomstig zijn uit een derde land, verwittigt de vereniging daarover binnen de drie dagen volgend op hun aankomst en legt een bezoek vast binnen de zeven dagen na hun aankomst. Hij laat de eerste identificatie en registratie van deze ingevoerde runderen op zijn inrichting uitvoeren door de vereniging.
De vereniging gaat binnen de zeven dagen na de in lid 1 bedoelde oproep over tot het identificeren en het registreren van een uit een derde land ingevoerd rund.
Dit artikel is niet van toepassing op exploitanten van verzamelplaatsen.
Op de in lid 1 bedoelde runderen kan artikel 77 enkel worden toegepast voor de rechtstreekse afvoer naar een binnenlands slachthuis.
Art. 62. § 1. De exploitant, andere dan een handelaar, registreert elke sterfte, aanvoer en afvoer van een rund van een beslag op zijn inrichting:
1. in SANITEL overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 4, C,D, E en F.
2. in het in artikel 22, § 2 bedoelde beslagregister.
Voor de handelaar gelden de bepalingen in artikel 66.
§ 2. De exploitant van een slachthuis registreert elke aanvoer van runderen in SANITEL overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 4, G.
De exploitant van het slachthuis die fouten vaststelt met betrekking tot de identiteit van een rund of op het begeleidende verplaatsingsdocument, identificatiedocument of gezondheidscertificaat, informeert de dierenarts-keurder onverwijld van elke onregelmatigheid.
Art. 63. Exploitanten die de identificatie van runderen en de registraties met betrekking tot elk rund laat uitvoeren door een derde, blijft verantwoordelijk voor de correctheid van de gegevens en voor het respecteren van de termijnen die op hem van toepassing zijn.
Art. 64. § 1. Elke exploitant die een in de artikelen 60, 62 en 66, bedoelde registratie van een rund uitvoert, verifieert eerst de correcte identiteit van dit rund en desgevallend van de gegevens in de begeleidende documenten.
De exploitant die fouten vaststelt met betrekking tot de identiteit van een rund of op de begeleidende documenten, meldt dit aan de vereniging en volgt de procedures en instructies van de vereniging om tot een correctie te komen of corrigeert waar mogelijk zelf deze fouten op elektronische wijze in SANITEL.
§ 2. De exploitant die fouten vaststelt met betrekking tot de historiek van een verworven rund, kan aan de vereniging vragen om de historiek te corrigeren.
De vereniging onderzoekt de in lid 1 bedoelde gemelde fout, corrigeert desgevallend de gegevens in SANITEL en verhaalt de kosten daarvoor op diegene die de fout heeft gemaakt indien de fout binnen de veertien dagen na het ontvangen van het verplaatsingsdocument van het rund werd gemeld en zo niet, bij de in lid 1 bedoelde exploitant.
Art. 65. Een exploitant mag in de volgende gevallen een rund verplaatsen zonder een vertrekmelding uit te voeren:
1. bij een verplaatsing op het Belgisch grondgebied naar:
a) diergeneeskundige praktijken en klinieken in het kader van de diergeneeskundige verzorging, onder de voorwaarden van artikel 50;
b) een verzamelplaats - klasse 3 of 4;
2. bij de verplaatsingen in het kader van de normale bedrijfsvoering, op voorwaarde dat de dieren niet van beslag veranderen.
Art. 66. § 1. De handelaar registreert de in paragrafen 2, 3 en 4, bedoelde gegevens steeds op elektronische wijze in SANITEL, hetzij rechtstreeks, hetzij via een elektronische interface en is daardoor vrijgesteld van het houden van een beslagregister op papier.
§ 2. De handelaar registreert voor elk in SANITEL geregistreerd rund de aanvoer in zijn handelaarsstal binnen de 24 uur na deze gebeurtenis en eerder indien het rund eerder het beslag verlaat. Hij registreert daarbij de volgende gegevens over elk rund: zijn volledige identificatiecode, de datum van de aankomst, het SANITEL-nummer van de inrichting van herkomst en van de overlater.
§ 3. De handelaar registreert het vertrek van elk rund uit zijn handelaarsstal binnen de 24 uur na deze gebeurtenis. Hij registreert daarbij de volgende gegevens voor elk rund: zijn volledige identificatiecode, de datum van de vertrek, het SANITEL-nummer van de inrichting van bestemming en van de overnemer.
De handelaar registreert de sterfte van elk rund in zijn handelaarsstal binnen de 24 uur na deze gebeurtenis. Hij registreert daarbij de volgende gegevens voor elk rund: zijn volledige identificatiecode, de datum van sterfte en het destructiebedrijf als overnemer.
§ 4. De handelaar houdt voor elk rund dat op de handelaarsstal wordt aangevoerd of afgevoerd ook de volgende gegevens bij:
1. het unieke registratienummer van de vervoerder die een rund aanvoert of afvoert;
2. het kenteken van het vervoermiddel waarmee elk rund wordt aangevoerd of afgevoerd.
§ 5. De handelaar registreert elke aanvoer van runderen afkomstig uit een andere lidstaat op zijn handelaarsstal zoals beschreven in bijlage IV, punt 4, E.
De handelaar mag de in lid 1 bedoelde runderen niet eerder afvoeren uit zijn handelaarsstal dan nadat hij in het bezit is van het in artikel 76 bedoelde verplaatsingsdocument. Vanaf dat moment registreert hij de afvoer van deze runderen overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 3.
Art. 67. § 1. Indien de exploitant, andere dan de handelaar, het vertrek van een rund uit een beslag op zijn inrichting niet geregistreerd heeft in SANITEL voordat dit rund vertrekt, overhandigt hij aan de vervoerder voor dit rund het in artikelen 75 en 76 bedoelde overeenstemmend verplaatsingsdocument op papier waarop hij de volgende items heeft ingevuld: zijn handtekening, de vertrekdatum, de naam en het uniek registratienummer van de overnemer.
De in lid 1 bedoelde vermeldingen moeten duidelijk leesbaar zijn en het verplaatsingsdocument mag geen wijzigingen, correcties of schrappingen bevatten. Indien wijzigingen, correcties of schrappingen nodig zijn, dient de exploitant een nieuw verplaatsingsdocument te gebruiken.
Het in lid 1 bedoelde papieren verplaatsingsdocument vergezelt het rund tot aan zijn eerstvolgende bestemming, tenzij de vervoerder zelf deze afvoer op elektronische wijze registreert in SANITEL voor hij vertrekt uit de laadplaats.
§ 2. Wanneer een exploitant een rund overlaat aan een persoon die geen exploitant is en die niet gekend is in SANITEL en die de particuliere slachting van dit rund als doel heeft en teneinde de traceerbaarheid van dit rund te waarborgen, dan vult hij de in punt 3 bedoelde gegevens van bijlage IV, punt 4, F, aan met het identificatienummer van het Rijksregister van de overnemer en geeft hij aan dat het gaat om een afvoer naar het slachthuis. Hij geeft bovendien aan de overnemer een naar behoren ingevuld papieren verplaatsingsdocument van dit rund.
Afdeling 2. - Hermerken van runderen
Art. 68. De exploitant voert enkel een hermerking uit bij zijn runderen in de in artikel 69 bedoelde gevallen en indien voldaan is aan de bepalingen van artikel 47.
Een rund waarvoor een hermerking werd besteld, mag de inrichting niet verlaten alvorens de hermerking is uitgevoerd, ook niet in toepassing van artikel 72, tenzij het een noodslachting betreft en dan overeenkomstig de instructies van de vereniging of van het Agentschap.
Art. 69. Onder hermerken van een rund wordt verstaan: het vervangen van een erkend identificatiemiddel bij een rund met behoud van de oorspronkelijke identificatiecode wanneer:
1. een erkend identificatiemiddel onleesbaar is en het dier nog één leesbaar erkend identificatiemiddel draagt;
2. een erkend identificatiemiddel van een ander type, zoals bedoeld in bijlage III van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035, gewenst is.
Het hermerken bedoeld in lid 1, onder punt 2, is niet toegelaten in een handelaarsstal.
Art. 70. § 1. De exploitant die bij een rund de onleesbaarheid van een erkend identificatiemiddel vaststelt, bestelt binnen de zeven dagen na de dag van de vaststelling een nieuw erkend identificatiemiddel voor hermerking dat dezelfde identificatiecode draagt, tenzij indien artikel 72 wordt toegepast.
De exploitant hermerkt het rund binnen de zeven dagen na de dag van ontvangst van het bestelde erkende identificatiemiddel, of onder de voorwaarden van paragraaf 2.
§ 2. De exploitant die voorziet dat het niet mogelijk zal zijn om de in paragraaf 1 geplande hermerking van het rund binnen de zeven dagen uit te voeren, meldt dit aan de vereniging op het moment van de bestelling. De vereniging registreert deze melding in SANITEL. De hermerking van dit rund moet in ieder geval uitgevoerd zijn voor zijn vertrek uit het beslag. De exploitant is verplicht om het uitvoeren van de hermerking te melden aan de vereniging voordat het rund vertrekt uit het beslag.
Art. 71. De exploitant die bij zijn runderen het type identificatiemiddel wil wijzigen zoals vermeld onder artikel 69, punt 2, kan daarvoor bij de vereniging een aanvraag indienen en een bestelling plaatsen van het gewenste type identificatiemiddel per rund voor hermerking en dat dezelfde identificatiecode draagt. De exploitant volgt de instructies van de vereniging voor het hermerken van de dieren.
De exploitant hermerkt elk rund binnen de zeven dagen na ontvangst van het bestelde erkende identificatiemiddel. Indien het een vervanging van een oormerk betreft, mag de exploitant het te vervangen leesbare oormerk verwijderen door middel van het doorknippen van de pin die het oor doorboort.
De exploitant nodigt de vereniging uit binnen de zeven dagen na het uitvoeren van de hermerkingen. De vereniging voert tijdens dit bezoek steekproefsgewijs een verificatie uit op de uitgevoerde hermerkingen en desgevallend op de verwijderde oormerken.
Art. 72. § 1. In de in artikel 70, § 1, bedoelde situatie en indien het rund bestemd is om binnen de zeven dagen na de vaststelling te worden geslacht, mag de exploitant het rund laten vertrekken met één erkend identificatiemiddel indien er nog geen identificatiemiddel voor het hermerken van dit rund werd besteld en indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1. bij de elektronische melding van het vertrek zoals bepaald in bijlage IV, onder punt F, 1, is bijkomend geregistreerd dat het rund de inrichting verlaat met slechts één erkend identificatiemiddel en dat het bestemd is voor de rechtstreekse afvoer naar een slachthuis;
2. bij het vertrek van het rund zoals bedoeld in artikel 67, § 1, heeft de exploitant op het papieren verplaatsingsdocument een geel slachthuisetiket aangebracht;
3. het rund moet rechtstreeks naar een binnenlands slachthuis afgevoerd worden, zonder te passeren via een verzameling of handelaarsstal.
§ 2. De exploitant organiseert het in paragraaf 1 bedoelde vervoer zodanig dat het rund binnen de 24 uur na de geregistreerde vertrekdatum aankomt in een binnenlands slachthuis.
Afdeling 3. - Slachthuisetiketten
Art. 73. Exploitanten kunnen voor beslagen, uitgezonderd voor de handelaarsstal, slachthuisetiketten bestellen bij de vereniging voor de toepassing van artikel 72, § 1, punt 2.
De exploitant bewaart de slachthuisetiketten samen met de erkende identificatiemiddelen zoals bepaald in artikel 26, § 2, 2.
Afdeling 4. - Identificeren van een niet geïdentificeerd rund
Art. 74. De exploitant die bij een rund de onleesbaarheid van beide erkende identificatiemiddelen vaststelt, of die vaststelt dat een rund niet geïdentificeerd is binnen de termijnen zoals voorzien in dit besluit, doet hiervan onverwijld aangifte bij de vereniging.
In afwachting van de tussenkomst van de vereniging dient de exploitant het in lid 1 bedoelde rund onmiddellijk op te stallen op zijn inrichting, tenzij op een veehouderij waar de dieren buiten worden gehouden. Indien daarvoor een transport nodig is op de openbare weg, gaat het rund vergezeld van het in artikel 76 bedoelde verplaatsingsdocument.
De exploitant is vrij om de middelen aan te wenden die de identiteit en de traceerbaarheid van het betrokken rund eenduidig kunnen aantonen. Hij laat zich daartoe bijstaan door de vereniging. Alvorens een bewijs over te maken aan het Agentschap, laat de exploitant minstens één bezoek op de inrichting uitvoeren door de vereniging. De vereniging volgt bij het uitvoeren van dit bezoek de instructies van het Agentschap en brengt schriftelijk verslag uit bij het Agentschap.
Indien het Agentschap oordeelt dat de identiteit van het in lid 1 bedoelde rund bewezen is, op basis van het verslag van de vereniging en de door de exploitant aangeleverde bewijzen, geeft het de toelating aan de vereniging om dit rund zo snel als mogelijk te hermerken met behoud van de identificatiecode.
Het Agentschap beslist geval per geval over de bestemming van een niet identificeerbaar en/of niet traceerbaar rund.
Al de kosten die gepaard gaan met de in dit artikel bedoelde of noodzakelijke onderzoeken en bezoeken zijn ten laste van de exploitant.
Afdeling 5. - Het verplaatsingsdocument voor runderen
Art. 75. Een verplaatsingsdocument voor runderen is een document dat gegenereerd wordt uit SANITEL en dat de gegevens bevat over een rund en over zijn exploitant.
Het model en de inhoud van het verplaatsingsdocument voor runderen wordt vastgelegd door de verenigingen en gevalideerd door het Agentschap. Het document is beschikbaar via de verenigingen en op de website van het Agentschap.
Elk verplaatsingsdocument voor runderen vermeldt steeds het laatste beslag waarin het rund werd gehouden en bevat een unieke veiligheidscode welke wijzigt na elke registratie van een rund in een nieuw beslag. Wanneer dit besluit voorziet in het gebruik van het verplaatsingsdocument, is enkel een verplaatsingsdocument met de meest recente veiligheidscode een geldig document.
Art. 76. § 1. De exploitant kan voor elk rund in een beslag op zijn inrichting beschikken over een verplaatsingsdocument nadat de registratie van de geboorte of de aankomst zijn uitgevoerd en mits voldaan is aan alle volgende voorwaarden:
1. de wettelijk voorgeschreven gezondheidsonderzoeken zijn gunstig gevalideerd, naargelang het geval door de vereniging en/of door het Agentschap;
2. de periode van stilstand, zoals bedoeld in paragraaf 3, is verstreken.
Het Agentschap en, volgens haar richtlijnen, de vereniging kunnen in SANITEL de beschikbaarheid van het verplaatsingsdocument voor een rund uitstellen indien de chronologie van de verplaatsingen (`de traceerbaarheid') van het rund niet correct of niet volledig is.
§ 2. De exploitant die toegang heeft tot SANITEL kan het verplaatsingsdocument zelf produceren vanaf dat het beschikbaar is. De exploitant die geen toegang heeft tot SANITEL kan dit verplaatsingsdocument bestellen bij de vereniging vanaf dat het beschikbaar is.
Het verplaatsingsdocument op papier wordt niet kleiner afgedrukt dan in het papierformaat A5.
§ 3. Onder periode van stilstand wordt verstaan: het aantal dagen, zoals vermeld in lid 2, dat een dier aanwezig moet zijn in een beslag alvorens dit dier weer mag vertrekken uit dit beslag, tenzij in toepassing van artikel 77.
De periode van stilstand bedraagt voor runderen:
1. tien dagen na een geboorte, te rekenen vanaf de dag na de melding of registratie van de geboorte zoals voorzien in artikel 60;
2. een dag na een aankomst in een beslag, te rekenen vanaf de dag na de melding of registratie van de aankomst in dit beslag zoals voorzien in de artikel 62.
§ 4. Tenzij in toepassing van artikel 77, mag een exploitant een rund pas afvoeren nadat hij beschikt over het geldig verplaatsingsdocument.
Art. 77. § 1. De exploitant mag per uitzondering een recent op zijn inrichting aangevoerd rund waarvoor hij nog niet beschikt over het in artikel 76 bedoelde verplaatsingsdocument, vervroegd afvoeren, onder de voorwaarden vermeld in lid 2.
Een vervroegde afvoer kan enkel worden toegepast op een rund waarvoor:
1. de aanvoer geregistreerd is in SANITEL en de vereniging het rund vrijgeeft in SANITEL;
2. de afvoer in SANITEL geregistreerd wordt door de vereniging op de dag van het vertrek en voordat het rund vertrekt;
3. de bestemming een binnenlands slachthuis is of de overnemer van het rund ook de overlater van dit rund is.
De registratie van een vervroegd vertrek bevat de volgende items over dit rund: zijn volledige identificatiecode, de datum van het vertrek uit de inrichting en de overnemer.
§ 2. De paragraaf 1 kan niet worden toegepast:
1. voor runderen die afkomstig zijn uit het buitenland, tenzij ze rechtstreeks worden afgevoerd naar een binnenlands slachthuis na overleg met de vereniging of met het Agentschap;
2. wanneer dit niet toegelaten is in het kader van een programma voor de bestrijding of de bewaking van een gereglementeerde dierenziekte.
§ 3. De paragraaf 1 is niet van toepassing op de runderen in de handelaarsstal.
Afdeling 6. - Het identificatiedocument voor runderen
Art. 78. § 1. Een identificatiedocument voor runderen is een document, voorgeschreven in toepassing van artikel 112, b), van verordening (EU) 2016/429 en dat gegenereerd wordt uit SANITEL.
Het model en de inhoud van het identificatiedocument voor runderen wordt vastgelegd door de verenigingen en gevalideerd door het Agentschap. Het document is beschikbaar via de verenigingen en op de website van het Agentschap.
Elk identificatiedocument voor runderen vermeldt steeds het laatste beslag waarin het rund werd gehouden en bevat een unieke veiligheidscode welke wijzigt na elke registratie van een rund in een nieuw beslag. Enkel een identificatiedocument met de meest recente veiligheidscode is een geldig document voor de verplaatsing van een rund naar het buitenland.
Naast de in lid 3 vermelde gegevens, vermeldt het identificatiedocument desgevallend ook elke inrichting waar het rund is verzameld nadat het laatste beslag werd verlaten.
Enkel een identificatiedocument met een datum van de selectie van de gegevens van maximaal 10 dagen geleden mag gebruikt worden voor de verplaatsing van een rund naar het buitenland.
§ 2. Enkel een rund waarvan de vertrekdatum uit het laatste beslag, ander dan uit een handelaarsstal, gekend is, kan aangeboden worden voor de certificatie. Deze vertrekdatum is daartoe:
1. gekend door middel van het overeenstemmend verplaatsingsdocument, ingevuld in overeenstemming met artikel 67 en mede voorgelegd bij de certificatie; ofwel
2. reeds geregistreerd in SANITEL voordat de certificatie plaatsvindt.
Art. 79. Een exploitant kan pas beschikken over een identificatiedocument voor een rund, wanneer hij voor dit rund kan beschikken over een verplaatsingsdocument in toepassing van artikel 76.
De exploitant die toegang heeft tot SANITEL kan dit identificatiedocument zelf produceren. De exploitant die geen toegang heeft tot SANITEL kan dit identificatiedocument bestellen bij de vereniging.
Het Agentschap en, volgens haar richtlijnen, de vereniging kunnen in SANITEL de beschikbaarheid van het identificatiedocument voor een rund uitstellen indien de chronologie van de verplaatsingen (`de traceerbaarheid') van het rund niet correct of niet volledig zijn.
Het identificatiedocument op papier wordt niet kleiner afgedrukt dan in het papierformaat A4.
Het gebruik van het identificatiedocument is enkel toegelaten voor de verplaatsing van runderen naar het buitenland.
HOOFDSTUK X. - Identificatie en registratie van schapen en geiten
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 80. § 1. Exploitanten identificeren hun schapen en geiten die op hun inrichting worden geboren overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 5.
§ 2. In toepassing van artikel 48, lid 1 en lid 2, van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035, en tot 1 juli 2023, mogen de exploitanten hun schapen en geiten die voor die datum op hun inrichting worden geboren nog identificeren met conventionele oormerken die zij nog in hun voorraad hebben in toepassing van artikel 25 van koninklijk besluit van 3 juni 2007 betreffende de identificatie en de registratie van schapen, geiten en hertachtigen.
Art. 81. De exploitant die schapen en geiten houdt en op zijn inrichting schapen en geiten verwerft die afkomstig zijn uit een derde land, verwittigt de vereniging binnen de drie dagen volgend op hun aankomst en legt een bezoek vast binnen de zeven dagen na hun aankomst. Hij laat de eerste identificatie en registratie van deze ingevoerde schapen en geiten op zijn inrichting uitvoeren door de vereniging.
De vereniging gaat binnen de zeven dagen na de in lid 1 bedoelde oproep over tot het identificeren en het registreren van een uit een derde land ingevoerd schaap of geit.
Dit artikel is niet van toepassing op exploitanten van verzamelplaatsen.
De exploitant mag de in lid 1 bedoelde schapen en geiten niet eerder afvoeren van hun inrichting dan nadat zij voldoen aan de bepalingen van verordening (EU) 2016/429, tenzij voor de rechtstreekse afvoer naar een binnenlands slachthuis.
Art. 82. § 1. Exploitanten die schapen en geiten houden die individueel geïdentificeerd zijn, houden het in artikel 22, § 2, bedoelde beslagregister bij per individueel geïdentificeerd dier.
Exploitanten, bedoeld in lid 1, registreren de volgende gegevens in het beslagregister:
1. voor elk nieuwgeboren schaap en geit: de identificatiecode en het jaar en de maand van geboorte;
2. de datum van sterfte van een schaap of geit;
3. voor elk aangevoerd schaap en geit: de datum van aanvoer en de verwijzing naar het verplaatsingsdocument en de gegevens onder punt 1;
4. voor elk afgevoerd schaap en geit: de datum van vertrek en de verwijzing naar het verplaatsingsdocument.
§ 2. Wanneer een exploitant een schaap of geit overlaat aan een persoon die geen exploitant is en die niet gekend is in SANITEL en die de particuliere slachting van dit dier als doel heeft en teneinde zijn traceerbaarheid te waarborgen, dan vult hij voor dit dier het beslagregister aan met het identificatienummer van het Rijksregister van de overnemer en geeft hij aan dat het gaat om een particuliere slachting. Hij geeft bovendien aan de overnemer een naar behoren ingevuld papieren verplaatsingsdocument mee over dit dier, met vermelding van het nummer van het Rijksregister van de overnemer.
Afdeling 2. - Hermerken van schapen en geiten
Art. 83. De exploitant voert enkel een hermerking uit bij zijn schapen en geiten in de in artikel 84 bedoelde gevallen en indien voldaan is aan de bepalingen van artikel 47.
Een schaap of geit waarvoor een hermerking werd besteld, mag de inrichting niet verlaten alvorens de hermerking is uitgevoerd, tenzij het een noodslachting betreft en dan overeenkomstig de instructies van de vereniging of van het Agentschap.
Art. 84. Onder hermerken van een schaap of geit wordt verstaan: het vervangen van een identificatiemiddel bij een schaap of geit met behoud van de oorspronkelijke identificatiecode wanneer:
1. een erkend identificatiemiddel onleesbaar is en het dier nog één leesbaar erkend identificatiemiddel draagt;
2. een erkend identificatiemiddel van een ander type, zoals bedoeld in bijlage III van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035, gewenst is;
3. een erkend beslagoormerk wordt vervangen door een erkend oormerk bij een overstap van de in artikel 45, lid 1, a), van gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 bedoelde methode van identificatie naar een in artikel 45, lid 2 van diezelfde gedelegeerde verordening bedoelde methode van identificatie.
Art. 85. § 1. De exploitant die bij een schaap of een geit de onleesbaarheid van een erkend identificatiemiddel vaststelt, bestelt binnen de zeven dagen na de dag van de vaststelling een nieuw erkend identificatiemiddel voor hermerking dat dezelfde identificatiecode draagt, tenzij in het in paragraaf 3 bedoelde geval of indien artikel 87 wordt toegepast.
De exploitant hermerkt het schaap of de geit binnen de zeven dagen na de dag van ontvangst van het bestelde erkende identificatiemiddel, of onder de voorwaarden van paragraaf 2.
§ 2. De exploitant die voorziet dat het niet mogelijk zal zijn om de in paragraaf 1 geplande hermerking van het schaap of de geit binnen de zeven dagen uit te voeren, plaatst bij dit dier op het moment van de in paragraaf 1 bedoelde vaststelling een beslagoormerk in afwachting van de hermerking. De hermerking moet in ieder geval uitgevoerd zijn voordat het dier vertrekt uit het beslag. Op het moment van de hermerking mag de exploitant het beslagoormerk verwijderen door middel van het doorknippen van de pin die het oor doorboort.
Het in lid 1 bedoelde dier moet steeds 2 erkende identificatiemiddelen dragen en het volgnummer van het beslagoormerk wordt in het beslagregister genoteerd bij het overeenstemmende dier.
§ 3. De exploitant die de onleesbaarheid van een beslagoormerk vaststelt, mag bij deze dieren een nieuw beslagoormerk plaatsen.
Art. 86. De exploitant die bij zijn schapen en geiten het type identificatiemiddel wil wijzigen zoals vermeld onder artikel 84, punt 2, kan daarvoor bij de vereniging een aanvraag indienen en een bestelling plaatsen van het gewenste type identificatiemiddel per dier voor hermerking en dat dezelfde identificatiecode draagt. De exploitant volgt de instructies van de vereniging voor het hermerken van de dieren.
De exploitant hermerkt elk dier binnen de zeven dagen na de dag van ontvangst van het bestelde identificatiemiddel. Indien het een vervanging van een oormerk betreft, mag de exploitant het te vervangen leesbare oormerk verwijderen door middel van het doorknippen van de pin die het oor doorboort.
De exploitant nodigt de vereniging uit binnen de zeven dagen na het uitvoeren van de hermerkingen. De vereniging voert tijdens dit bezoek steekproefsgewijs een verificatie uit op de uitgevoerde hermerkingen en desgevallend op de verwijderde identificatiemiddelen.
Art. 87. § 1. In de in artikel 85, § 1, bedoelde situatie en indien het schaap of de geit bestemd is om binnen de zeven dagen na de vaststelling te worden geslacht in een binnenlands slachthuis, mag de exploitant het dier laten vertrekken met één erkend identificatiemiddel indien hij het onleesbare identificatiemiddel vervangt door een beslagoormerk.
§ 2. De exploitant organiseert het in paragraaf 1 bedoelde vervoer zodanig dat het schaap of de geit binnen de 24 uur na de geregistreerde vertrekdatum aankomt in een binnenlands slachthuis.
Afdeling 3. - Identificeren van een niet geïdentificeerd schaap of een niet geïdentificeerde geit
Art. 88. De exploitant die bij een schaap of geit de onleesbaarheid van beide erkende identificatiemiddelen vaststelt, of die vaststelt dat een schaap of geit niet geïdentificeerd is binnen de termijnen zoals voorzien in dit besluit, doet hiervan onverwijld aangifte bij de vereniging.
In afwachting van de tussenkomst van de vereniging dient de exploitant het in lid 1 bedoelde dier onmiddellijk op te stallen op zijn inrichting, tenzij op een veehouderij waar de dieren buiten worden gehouden.
De exploitant is vrij om de middelen aan te wenden die de identiteit en de traceerbaarheid van het betrokken dier eenduidig kunnen aantonen. Hij laat zich daartoe bijstaan door de vereniging. Alvorens een bewijs over te maken aan het Agentschap, laat de exploitant minstens één bezoek op de inrichting uitvoeren door de vereniging. De vereniging volgt bij het uitvoeren van dit bezoek de instructies van het Agentschap en brengt schriftelijk verslag uit bij het Agentschap.
Indien het Agentschap oordeelt dat de identiteit van het in lid 1 bedoelde dier bewezen is, op basis van het verslag van de vereniging en de door de exploitant aangeleverde bewijzen, geeft het toelating aan de vereniging om dit dier zo snel als mogelijk te hermerken met behoud van de identificatiecode.
Het Agentschap beslist geval per geval over de bestemming van een niet identificeerbaar en/of niet traceerbaar schaap of een niet identificeerbare en/of niet traceerbare geit.
Al de kosten die gepaard gaan met de in dit artikel bedoelde of noodzakelijke onderzoeken en bezoeken zijn ten laste van de exploitant.
HOOFDSTUK XI. - Identificatie en registratie van gehouden hertachtigen
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 89. Exploitanten identificeren hun hertachtigen die op hun inrichting worden geboren overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, punt 6.
Wanneer de exploitant ervoor kiest om zijn gehouden hertachtigen te identificeren met een combinatie van erkende identificatiemiddelen, mag hij dit enkel doen indien elk identificatiemiddel dezelfde unieke identificatiecode draagt.
Wanneer de exploitant ervoor kiest om zijn gehouden hertachtigen te identificeren met een erkend elektronisch oormerk, wordt dit gebruikt onder dezelfde voorwaarden als een conventioneel oormerk.
Art. 90. De bepalingen in artikel 81 voor schapen en geiten, gelden ook voor de exploitant die op zijn inrichting hertachtigen verwerft uit een derde land.
Art. 91. Gehouden hertachtigen die worden verplaatst, gaan vergezeld van een verplaatsingsdocument zoals bedoeld in artikel 24.
Art. 92. De bepalingen in artikel 82 over het houden van een beslagregister voor schapen en geiten, gelden ook voor de exploitanten die hertachtigen houden.
Afdeling 2. - Hermerken van gehouden hertachtigen
Art. 93. De exploitant voert enkel een hermerking uit bij zijn hertachtigen in de in artikel 94 bedoelde gevallen en indien voldaan is aan de bepalingen van artikel 47.
Een hertachtige waarvoor een hermerking werd besteld, mag de inrichting niet verlaten alvorens de hermerking is uitgevoerd, tenzij het een noodslachting betreft en dan overeenkomstig de instructies van de vereniging of van het Agentschap.
Art. 94. Onder hermerken van een gehouden hertachtige wordt verstaan: het vervangen van een erkend identificatiemiddel bij een gehouden hertachtige wanneer:
1. een erkend identificatiemiddel onleesbaar is en het dier nog één leesbaar erkend identificatiemiddel draagt;
2. een erkend identificatiemiddel van een ander type gewenst is, zoals bedoeld in artikel 73, lid 2 van de gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035;
3. een erkend identificatiemiddel wordt toegevoegd op het dier.
Art. 95. § 1. De exploitant die bij een gehouden hertachtige de onleesbaarheid van een erkend identificatiemiddel vaststelt, bestelt binnen de zeven dagen na de dag van de vaststelling een nieuw oormerk voor hermerking dat dezelfde identificatiecode draagt, tenzij indien artikel 97 wordt toegepast.
De exploitant hermerkt de hertachtige binnen de zeven dagen na de dag van ontvangst van het bestelde oormerk, of onder de voorwaarden van paragraaf 2.
§ 2. De exploitant die voorziet dat het niet mogelijk zal zijn om de in paragraaf 1 geplande hermerking van de hertachtige binnen de zeven dagen uit te voeren, plaatst bij dit dier op het moment van de in paragraaf 1 bedoelde vaststelling een beslagoormerk in afwachting van de hermerking. De hermerking moet in ieder geval uitgevoerd zijn voordat het dier vertrekt uit het beslag. Op het moment van de hermerking mag de exploitant het beslagoormerk verwijderen door middel van het doorknippen van de sluiting.
Het in lid 1 bedoelde dier moet steeds 2 erkende identificatiemiddelen dragen en het volgnummer van het beslagoormerk wordt desgevallend in het beslagregister genoteerd bij het overeenstemmende dier.
Art. 96. De exploitant die bij zijn hertachtigen het type identificatiemiddel wil wijzigen of toevoegen zoals vermeld onder artikel 94, punten 2 en 3, kan daarvoor bij de vereniging een aanvraag indienen en bestelt het gewenste type identificatiemiddel per dier voor hermerking en dat dezelfde identificatiecode draagt. De exploitant volgt de instructies van de vereniging voor het hermerken van de dieren.
De exploitant hermerkt elk dier binnen de zeven dagen na de dag van ontvangst van het bestelde identificatiemiddel. Indien het een vervanging van een oormerk betreft, mag de exploitant het te vervangen leesbare oormerk verwijderen door middel van het doorknippen van de pin die het oor doorboort.
De exploitant nodigt de vereniging uit binnen de zeven dagen na het uitvoeren van de hermerkingen. De vereniging voert tijdens dit bezoek steekproefsgewijs een verificatie uit op de uitgevoerde hermerkingen en desgevallend op de verwijderde identificatiemiddelen.
Art. 97. § 1. Enkel in de in artikel 94, punt 1, bedoelde situatie en indien de gehouden hertachtige bestemd is om binnen de zeven dagen na de vaststelling te worden geslacht in een binnenlands slachthuis, mag de exploitant het dier laten vertrekken met één leesbaar erkend identificatiemiddel.
§ 2. De exploitant organiseert het in paragraaf 1 bedoelde vervoer zodanig dat de hertachtige binnen de 24 uur na de geregistreerde vertrekdatum aankomt in een binnenlands slachthuis.
Afdeling 3. - Identificeren van een niet geïdentificeerde gehouden hertachtige
Art. 98. De exploitant die bij een gehouden hertachtige de onleesbaarheid van alle aanwezige erkende identificatiemiddelen vaststelt, of die vaststelt dat een hertachtige niet geïdentificeerd is binnen de termijnen zoals voorzien in dit besluit, volgt dezelfde bepalingen als voor schapen en geiten in artikel 88.
HOOFDSTUK XII. - Identificatie en registratie van gehouden kameelachtigen
Art. 99. De bepalingen in de artikelen 89 tot en met 98 die van toepassing zijn op de exploitanten die hertachtigen houden, zijn ook van toepassing op de exploitanten die kameelachtigen houden.
Art. 100. Wanneer de exploitant ervoor kiest om zijn gehouden kameelachtigen te identificeren met een combinatie van erkende identificatiemiddelen, mag hij dit enkel doen indien elk identificatiemiddel dezelfde unieke identificatiecode draagt.
Wanneer de exploitant ervoor kiest om zijn gehouden kameelachtigen te identificeren met een erkend elektronisch oormerk, wordt dit gebruikt onder dezelfde voorwaarden als een conventioneel oormerk.
HOOFDSTUK XIII. - Telling van schapen, geiten, hertachtigen en kameelachtigen
Art. 101. De exploitant dient elk jaar per beslag het aantal schapen, geiten, hertachtigen en kameelachtigen te tellen dat hij houdt op 15 december. Hij dient deze aantallen voor 15 januari daaropvolgend te registreren in zijn beslagregister en in SANITEL volgens de instructies van de vereniging.
De in lid 1 bedoelde telling op 15 december omvat volgende twee aantallen:
1. het totaal aantal geïdentificeerde dieren dat op dat moment gehouden wordt in elk beslag;
2. het aantal vrouwelijke dieren met een leeftijd van 6 maanden of ouder, die deel uitmaken van het in punt 1 bedoelde aantal.
HOOFDSTUK XIV. - De toelating voor het houden van varkens, pluimvee en vleeskalveren
Afdeling 1. - De toelating
Art. 102. De exploitant van een broederij en de exploitant die zich laat registreren voor het houden van varkens, pluimvee of vleeskalveren, maakt tegelijkertijd met zijn aanvraag voor registratie een aanvraag tot het bekomen van de toelating over aan de vereniging die dit overmaakt aan het Agentschap. Enkel het Agentschap oordeelt over de toelating.
Art. 103. Het Agentschap kan de toelating voor een broederij of voor het houden van varkens, vleeskalveren en pluimvee op een inrichting schorsen of intrekken indien de exploitant de in artikelen 104, 106, 108, 109 en 110 bedoelde voorwaarden, voorschriften en verplichtingen niet naleeft.
Afdeling 2. - De toelating voor het houden van varkens
Art. 104. De voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de toelating voor een inrichting voor het houden van varkens zijn:
1. de voorwaarden in artikel 22;
2. de voorwaarden zoals vastgelegd in het koninklijk besluit van 18 juni 2014 houdende maatregelen ter voorkoming van aangifteplichtige varkensziekten.
Art. 105. De exploitant die maximaal 3 varkens houdt die behoren tot de categorie vleesvarkens en die enkel bestemd zijn voor de particuliere slachting, is vrijgesteld van het hebben van de toelating voor zijn inrichting voor het houden van varkens.
Afdeling 3. - De toelating voor het houden van vleeskalveren
Art. 106. De voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de toelating voor een vleeskalverhouderij zijn:
1. de voorwaarden in artikel 22;
2. de voorwaarden in bijlage V, punt A.
Art. 107. Runderen die geregistreerd worden op een vleeskalverhouderij krijgen in SANITEL het specifieke en niet omkeerbare statuut van vleeskalf.
Met het oog op de nationale handel mogen vleeskalveren uitsluitend verplaatst worden tussen vleeskalverhouderijen onderling en naar een slachthuis.
Afdeling 4. - De toelating voor een broederij en voor het houden van pluimvee
Art. 108. § 1. De exploitant moet voor de volgende inrichtingen de toelating 10.1, bedoeld in bijlage III van het koninklijk besluit van 16 januari 2006, bekomen voor de aanvang van de activiteiten:
1. voor een inrichting met een productie-eenheid van het type broederij, selectiebedrijf, vermeerderingsbedrijf en opfokbedrijf voor fokpluimvee, behalve in het geval als bedoeld in artikel 111, punt 1;
2. voor een inrichting met een productie-eenheid waar gebruikspluimvee wordt gehouden en van waaruit men deze ook in de handel naar het buitenland wil brengen.
§ 2. De voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de in paragraaf 1 bedoelde toelating 10.1 zijn:
1. de voorwaarden in artikel 22;
2. de voorwaarden in bijlage V, punt B;
3. de voorwaarden in de artikelen 7 en 8 van gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035.
Art. 109. § 1. Wanneer het pluimvee enkel in de nationale handel wordt gebracht, moet de exploitant voor de volgende inrichtingen de toelating 10.2, bedoeld in bijlage III van het koninklijk besluit van 16 januari 2006, bekomen voor de aanvang van de activiteiten:
1. voor een inrichting met een productie-eenheid waar gebruikspluimvee gehouden wordt met uitzondering van deze in artikelen 110 en 111;
2. voor een opfokbedrijf voor gebruikspluimvee.
§ 2. De voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de in paragraaf 1 bedoelde toelating 10.2 zijn:
1. de voorwaarden in artikel 22;
2. de voorwaarden in bijlage V, punt B, met uitzondering van punt 1, A, 4, punt 1, E, 2, en punt 2, G.
Art. 110. § 1. Voor een inrichting met een pluimveebedrijf met geringe capaciteit van waaruit pluimvee enkel in de nationale handel wordt gebracht, moet de toelating 10.2, bedoeld in bijlage III van het koninklijk besluit van 16 januari 2006, bekomen worden voor de aanvang van hun activiteiten.
§ 2. De voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de in paragraaf 1 bedoelde toelating 10.2 zijn de voorwaarden zoals bepaald in bijlage V, punt B, met uitzondering van punt 1, A, 4, van punt 1, E, 2, en van punt 2, F, G, H en I.
§ 3. Een pluimveebedrijf met geringe capaciteit dient een bedrijfsplan op te stellen waarin de samenstelling van de productieronden wordt vastgelegd.
Art. 111. De toelating is niet vereist voor de volgende inrichtingen van waaruit geen pluimvee of producten van pluimvee vertrekken naar het buitenland:
1. voor een inrichting met een productie-eenheid van het type broederij en een productie-eenheid waar broedeieren worden geproduceerd en eendagskuikens worden gehouden die de exploitant uitsluitend wil leveren aan inrichtingen bedoeld in punten 2 en 3;
2. voor een inrichting met een productie-eenheid waar minder dan 200 stuks ander pluimvee dan vermeld in punt 3, gehouden wordt;
3. voor een inrichting met een productie-eenheid waar minder dan vier struisvogels of minder dan zes emoes, nandoes en kasuarissen gehouden worden;
4. voor een inrichting waar het aangevoerde pluimvee onmiddellijk wordt uitgezet in het wild;
5. voor een inrichting met een productie-eenheid waar uitsluitend sportduiven en sierduiven gehouden worden zoals bedoeld in artikel 51, § 1, lid 2.
Art. 112. § 1. Wanneer een productie-eenheid uitgebaat wordt met een toelating 10.1, dienen alle andere productie-eenheden op dezelfde inrichting met dezelfde toelating 10.1 uitgebaat te worden.
Wanneer een inrichting uitgebaat wordt met een toelating 10.1, moet al het pluimvee afkomstig zijn van inrichtingen met een toelating 10.1.
§ 2. Wanneer een productie-eenheid uitgebaat wordt met een toelating 10.2, dienen alle andere productie-eenheden op dezelfde inrichting met dezelfde toelating 10.2 uitgebaat te worden.
Wanneer een inrichting uitgebaat wordt met een toelating 10.2, moet al het pluimvee afkomstig zijn van inrichtingen met een toelating 10.1 of 10.2.
HOOFDSTUK XV. - Het houden van in gevangenschap levende vogels
Art. 113. Dit hoofdstuk geldt enkel voor het houden van in gevangenschap levende vogels van de soorten die opgesomd worden in bijlage I, deel B, van verordening (EU) 2016/429, uitgezonderd de duiven.
Art. 114. § 1. Met het oog op de in artikel 84 van verordening (EU) 2016/429 bedoelde registratie, richt de exploitant die de in artikel 113 bedoelde in gevangenschap levende vogels houdt, zijn aanvraag voor zijn registratie als houder en voor het registreren van zijn inrichting voor het houden van deze dieren, alsook voor elke aanvraag tot wijziging daarin, aan een vereniging naar keuze.
De in lid 1 bedoelde registratie, is niet verplicht voor de exploitant die minder dan 200 stuks van de in artikel 113 bedoelde in gevangenschap levende vogels, andere dan loopvogels, houdt.
De procedure inzake de registratie van exploitanten die de in gevangenschap levende vogels houden en van de inrichtingen voor het houden van deze dieren, verloopt overeenkomstig artikel 2, § 1quater, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 maar wordt uitgevoerd door de vereniging.
§ 2. Met het oog op de in paragraaf 1 bedoelde registratie worden de te verstrekken gegevens bedoeld in artikel 84 van verordening (EU) 2016/429 aangevuld met de gegevens in bijlage II.
§ 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde aanvraag tot registratie volledig is, registreert de vereniging de exploitant en de inrichting in SANITEL en wordt zij de in artikel 4 bedoelde vereniging.
§ 4. Als bewijs van de registratie van de exploitant en zijn inrichting in SANITEL of van een wijziging daarin, ontvangt de exploitant van de vereniging binnen de 30 dagen een beslagfiche die de geregistreerde gegevens over de exploitant en over zijn inrichting samenvat.
§ 5. Op eenzelfde inrichting wordt slechts één exploitant en één beslagnummer geregistreerd voor alle in gevangenschap levende vogels.
Art. 115. Wanneer een exploitant op een inrichting voor het houden van vogels zoals bedoeld in artikel 113 ook pluimvee houdt, gelden ook de bepalingen van artikel 9, § 1, lid 2.
HOOFDSTUK XVI. - Het houden van gezelschapsvarkens
Art. 116. § 1. Dit hoofdstuk geeft afwijkende bepalingen voor het houden van gezelschapsvarkens en geldt enkel voor het houden van gezelschapsvarkens op een inrichting zonder andere categorieën varkens.
Een gezelschapsvarken is een varken dat wordt gehouden, zonder ermee te kweken, noch er handel mee te drijven. Noch dit dier, noch de producten ervan mogen in de voedselketen komen, noch voor eigen verbruik bestemd zijn.
Een gezelschapsvarken waarmee wordt gekweekt, wordt beschouwd als een fokvarken.
Wanneer gezelschapsvarkens worden gehouden op een inrichting waar ook andere categorieën varkens gehouden worden, gelden voor de gezelschapsvarkens dezelfde regels van dit besluit als voor de andere varkens.
§ 2. De volgende bepalingen van dit besluit gelden niet voor exploitanten van een inrichting voor gezelschapsvarkens:
1. artikel 13;
2. artikelen 56 tot en met 59;
3. artikelen 102 tot en met 105.
§ 3. De exploitant mag in afwijking op artikel 116, § 1, lid 2, zijn gezelschapsvarken occasioneel verhandelen, indien dit varken:
1. hetzij drager is van zijn origineel identificatiemiddel;
2. hetzij hermerkt wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 59, § 2;
3. hetzij geïdentificeerd wordt door een erkende dierenarts overeenkomstig de bepalingen van artikel 54 van gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 wanneer hij het in lid 2 bedoelde gezondheidsonderzoek uitvoert.
De exploitant laat het in lid 1 bedoelde gezelschapsvarken dat hij occasioneel wil verhandelen onderzoeken door een erkend dierenarts. Het varken mag pas verhandeld worden nadat deze dierenarts een attest heeft afgeleverd waarin, op basis van een klinisch onderzoek van het te verhandelen dier, verklaard wordt dat het dier klinisch gezond is en er geen tekens zijn die een besmetting met een aangifteplichtige ziekte doen vermoeden. Dit attest vermeldt ook het identificatienummer van het varken.
Het attest dient opgesteld te worden in 2-voud en is maximaal 7 dagen geldig vanaf de datum van opmaak.
De overlater houdt één exemplaar van dit attest en overhandigt het andere exemplaar aan de overnemer van het gezelschapsvarken. Beiden bewaren het attest gedurende 3 jaar.
Het model en de inhoud van het attest worden vastgelegd door de verenigingen en gevalideerd door het Agentschap. Het document is beschikbaar via de verenigingen en op de website van het Agentschap.
Art. 117. Wanneer een exploitant op eenzelfde inrichting zowel gezelschapsvarkens als varkens wil houden, gelden de bepalingen van artikel 14.
HOOFDSTUK XVII. - Maatregelen
Art. 118. Het Agentschap kan aan de exploitant de bevoegdheid tot het identificeren of het hermerken van dieren tijdelijk ontzeggen indien hij het identificeren en het registreren niet, onvolledig of onjuist uitvoert, of indien herhaaldelijk vastgesteld is dat hij naar het oordeel van het Agentschap niet langer handelt in overeenstemming met dit besluit.
Gedurende de periode dat deze bevoegdheid aan de exploitant is ontzegd, doet hij binnen de termijnen die zijn vastgelegd bij dit besluit, beroep op de vereniging voor elke identificatie, hermerking en registratie op de inrichting.
Indien aan de exploitant de bevoegdheid is ontzegd, levert hij onmiddellijk alle nog niet gebruikte identificatiemiddelen in bij het Agentschap die ze overmaakt aan de vereniging.
Art. 119. Onder een beperking van de verplaatsingen zoals vermeld in artikel 1, eerste lid, artikel 2, tweede lid, en artikel 4 van verordening (EG) nr. 494/98 van de Commissie van 27 februari 1998 houdende uitvoeringsbepalingen voor verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad wat de toepassing van de minimale administratieve sancties in het kader van de identificatie- en registratieregeling voor runderen betreft, wordt verstaan: een verbod op de afvoer van alle runderen vanaf de inrichting, behoudens het vertrek naar een binnenlands slachthuis van de runderen die volledig voldoen aan de bepalingen inzake de identificatie, de registratie en de traceerbaarheid zoals opgelegd door de verordening (EU) 2016/429 en door dit besluit. Deze maatregel blijft van kracht tot dat alle runderen volledig aan de bepalingen van dit besluit voldoen.
Art. 120. Het Agentschap kan op kosten van de exploitant de afmaking bevelen, van een dier of groep van dieren met het oog op hun vernietiging, wanneer deze in het geheel niet geïdentificeerd, noch geregistreerd zijn overeenkomstig de bepalingen van dit besluit voor de betrokken diersoort of wanneer vastgesteld is dat deze drager is of zijn van omgewisselde en/of vervalste identificatiemiddelen. De exploitant is gehouden deze maatregel na te leven en uit te voeren binnen de door het Agentschap opgelegde termijn.
Art. 121. Wanneer het Agentschap op basis van de feiten ter plaatse of op basis van een gerechtelijke uitspraak vaststelt dat de geregistreerde exploitant van een beslag de taken als verantwoordelijke, zoals vermeld in artikel 7, lid 3, niet meer uitoefent of kan uitoefenen, geeft het opdracht aan de vereniging om een nieuwe exploitant te registreren in SANITEL, die het aanduidt in overeenstemming met de realiteit op de inrichting.
HOOFDSTUK XVIII. - Overgangsbepalingen
Art. 122. Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit mag het papieren verplaatsingsdocument van een rund zoals bedoeld in artikel 67, § 1, nog vervangen worden door het overeenstemmend paspoort van dit rund, onderdeel van het identificatiedocument dat uitgereikt werd in toepassing van artikel 24 van het koninklijk besluit van 23 maart 2011 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen, voor zover de exploitant er dezelfde items op aanbrengt als voorzien in artikel 67, § 1.
Het gebruik van het in lid 1 bedoelde identificatiedocument komt te vervallen op een door de Minister te bepalen datum.
Art. 123. Tot een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit mag het model van bedrijfsregisters zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 7 januari 2003 houdende uitvoeringsbepalingen in het kader van koninklijk besluit van 8 augustus 1997 betreffende de identificatie, de registratie en de toepassingsmodaliteiten voor de epidemiologische bewaking van de runderen nog gebruikt worden als beslagregister op inrichtingen met slechts één beslag runderen.
Art. 124. De vervanging van de toelating van de handelaarsstal voor runderen door de in artikel 17 bedoelde toelating als handelaar en een specifiek beslagnummer voor de handelaarsstal, door de vereniging uitgevoerd volgens de instructies van het Agentschap, zal voor elke handelaar plaatsvinden tegen de in artikel 128, lid 2, vermelde datum.
HOOFDSTUK XIX. - Slotbepalingen
Art. 125. § 1. Het tarief van de retributies voor de identificatie en registratie van de dieren, die ten laste komen van de exploitanten die deze dieren houden, is vastgelegd in het koninklijk besluit van 14 mei 2012 betreffende de retributies inzake identificatie en registratie van dieren.
§ 2. De kosten voor het uitvoeren van de volgende onderzoeken in toepassing van de artikelen 7 en 8 van gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 zijn, met uitzondering van de eventuele tussenkomsten van de bedrijfsdierenarts, ten laste van het Agentschap binnen de perken van de begrotingskredieten:
1. de onderzoeken in bijlage VI, onder punt 3 op de inrichtingen waar fokpluimvee wordt gehouden;
2. eenmaal per jaar het onderzoek in bijlage VI, onder punt 1 en uitgevoerd door de vereniging.
Art. 126. De in artikel 102 bedoelde toelatingen worden door het Agentschap afgeleverd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4 en 8 van het koninklijk besluit van 16 januari 2006.
Tegen de beslissing van het Agentschap om de in artikel 17 en artikel 102 bedoelde toelating in te trekken, te schorsen of aan specifieke beperkingen te onderwerpen, wordt beroep aangetekend volgens de procedure bepaald in artikel 16, § 5, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006.
Art. 127. De Minister kan de bijlagen wijzigen.
De minister kan voor de goede toepassing van dit besluit en van verordening (EU) 2016/429, zijn gedelegeerde verordeningen en zijn uitvoeringsverordeningen, modellen van documenten en registers en de modaliteiten voor het gebruik ervan vastleggen.
Art. 128. Dit besluit treedt in werking op 13 juni 2022 met uitzondering van artikel 17, § 1.
Artikel 17, § 1, treedt in werking op 1 juli 2023. De overige bepalingen welke door dit besluit zijn vastgelegd voor de handelaar en voor zijn handelaarsstal zijn integraal van toepassing. Tot de datum van 1 juli 2023 blijven de handelaarsstallen inrichtingen zonder specifiek beslagnummer maar met een toelating 12.4.1, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 januari 2006.
Art. 129. De minister bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 20 mei 2022.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Landbouw,
D. CLARINVAL

 


  Nieuwsflash
 
Nog te erkennen rampen 2021 Lees meer
 
 
Slim met stikstof en koolstofLees meer
 
 
Erkenning overstroming 14-17 juli 2021 als ramp: bijkomende gemeentenLees meer
 
 
Afschaffing constructie 'samengestelde landbouwer' Lees meer
 
 
Veel onzekerheden bij start nieuw aardappelseizoenLees meer
 
 
Uitkoopregeling voor varkensboeren Lees meer
 
 
Nood aan rechtszekere en rechtvaardige PAS met toekomstperspectief Lees meer
 
 
Uitbetaling basisbetaling, premie vergroening, premie jonge landbouwers, herverdelingspremie, ...Lees meer
 
 
Rampenfonds droogte 2020: veel té lang wachten op uitbetalingLees meer
 
 
Reductie van stikstof door het gebruik van zeolietLees meer
 
 
Innovatiemogelijkheden voor een bijna emissievrije landbouwLees meer
 
 
In 2022 meer zomergranen en korrelmaïs, maar minder groenten Lees meer